Met de ambulance mee

Het ene moment zwem je in één van de mooiste meren ter wereld, het volgende moment lig je in een ambulance opweg naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis 45 minuten verderop. Het leven, een reis of een dag kan gek lopen. Zie hier mijn week:

Dinsdag 9 januari. Kevin & ik besluiten de ‘oostkust’ van Lake Pukaki te bezichtigen maar al snel voel ik me niet lekker en zoeken we een toilet op. Daarbinnen weet ik niet wat me overkomt. Ik zal jullie de details besparen maar mijn lichaam heeft besloten alles wat er op dat moment inzit eruit te gooien. Het enge: Ik verlies ontzettend veel bloed. En bloed in de ontlasting is nooit goed, dus staan we een uur later bij een huisartsenpraktijk waar ik mijn naam en wat papieren in moet vullen. Op het moment dat de vrouwelijke huisarts vraagt hoe het gaat, voel ik hoe mijn hoofd langzaam de grip op de realiteit verliest. Het verlaat de plek waar ik op dat moment ben en mijn lichaam kan enkel omvallen. Ik hoor de huisarts een lichte gil slaken en zeggen: ‘Is she still alive? Is she still breathing?’ Ik hoor iemand rennen en probeer te fluisteren dat ik gewoon aan het flauwvallen ben. Mijn lippen gaan niet heen en weer. Ik probeer het nog een keer. Nog steeds niks. Oké, laat maar. En weg ben ik.

Met de ambulance mee

Nog geen 10 seconden later open ik mijn ogen in de wachtkamer terwijl de arts wat vragen stelt. Ik wil gaan zitten als mijn hoofd besluit dat het daar nog niet aan toe is. Een andere huisarts komt aanlopen met een rolstoel en wilt dat ik naar een aparte kamer wordt gebracht. Alles in me protesteert en eenmaal in die stoel val ik direct weer flauw en het ergste: Ik kots over iedereen heen. Opnieuw kan ik alles verstaan maar kan ik geen teken van fysiek leven geven. Dan zie ik Kevin weer en zeg: ‘Ik proef spuug.’ Hij begint te lachen. ‘Ja dat klopt. Je hebt over de huisartsen en een man die je te hulp schoot heen gespuugd. De ambulance komt je halen en je wordt naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gebracht in Timaru.’ Ik zucht. ‘Als ik maar beter word’.

Als ik maar beter word

Dat laatste zinnetje heb ik de laatste paar dagen enorm veel gedacht. Problemen lijken te vervagen. Wat eerst belangrijk leek, is nu niet meer dan een ‘to do list item’ voor op reis en ik irriteer me enorm aan het grote cliché: ‘Wees blij dat je gezond bent, aangezien er zoveel mensen (chronisch) ziek zijn.’ Op het moment dat je je goed voelt, heb je daar helemaal geen snars aan en we kunnen onmogelijk altijd maar dankbaar zijn voor alles en iedereen. Maar in dat ziekenhuis en de dagen daarna dat ik plat lig van de medicatie, hoofdpijn en buikpijn lijkt het cliché ineens zo waar. (Ja daarom heet het een cliché, ik weet het.)

Als ik die avond rond 21:00 uit het ziekenhuis ontslagen word en ik waarschijnlijk een infectie heb opgelopen door het vele zwemmen in meren en rivieren, rijden we naar een camping verderop. Ik heb flink wat antibiotica mee en zal over 5 dagen terug moeten bellen voor de uitslag van de bloed- en poeptest die ze hebben afgenomen. De volgende drie dagen kan ik niks behalve zielig zijn en slapen. Ik haat het om ziek te zijn. Ook zo’n vanzelfsprekendheid, wie niet eh? Maar ik haat het extra om ziek te zijn, zeg ik tegen mezelf. Gewoon omdat de dialoog aangaan met mezelf, het enige is wat ik kan doen.

Medelijden

Op dag 2 heb ik ineens medelijden met ieder mens op deze aardbol die een vorm van migraine of vaak hoofdpijn heeft. In mijn hoofd lopen verschillende sterke kerels met pikhouwelen te bikken opzoek naar diamanten. Zachtaardig gaan ze niet te werk maar luisteren doen ze niet. Het gedreun, gestamp en gebonk in mijn hoofd gaat maar door. Als ik ergens nooit last van heb, is het hoofdpijn. Wat fijn dat ik hier eigenlijk nooit last van heb! Daar mag ik wel wat dankbaarder voor… BLEEHH gadver. Niet meer denken Bo. Die dankbaarheid komt me mijn neus uit.

Op dag 3 vind ik mezelf in de ochtend enorm zielig. Gedachtes als: ‘Waarom ik? Waarom moest mij dit overkomen?’ verban ik naar een diep donker kamertje ver in mijn lichaam met een groot slot op de deur. Aan dat soort gedachtes heb je niks en ze zijn daarnaast enorm nutteloos. Maar het gevoel dat ‘ik altijd wat heb’ verdwijnt niet. Ik spreek mezelf streng toe: ‘Bo Kok, jij verwend nest! Je bent nu ruim 3 maanden op reis en heb je al iets gehad? Nee! Geen splinter in je vinger, geen teen gestoten! Heb je wel gedacht aan al die mensen die niet op reis kunnen? Wees dankbaar dat je dit allemaal mag doen!’

In mijn hoofd piept een klein stemmetje die nog net durft te fluisteren: ‘2 jaar geleden heb ik een oorontsteking in Amerika opgelopen hoor, daar heb ik nog heel lang last van gehad. En kun je alsjeblieft stoppen met zeggen dat ik wat dankbaarder moet zijn?’. Maar het stemmetje heeft al geen recht meer van spreken. Er wordt niet meer naar haar geluisterd.

Weet je wat? GOD mag me komen halen

Op dag 4 vind ik mezelf zwak. Enorm zwak. Er zijn zoveel mensen (chronisch) ziek en zie mij hier nou een beetje liggen. Doen alsof ik bijna dood ga. Ik kan niet eens 4 dagen ziek zijn want GOD kan me al snel komen halen, ik zou direct toestemmen met zijn voorstel. Alles doet zeer. Ik voel overal een enorme spierpijn en ik kan bijna niet uit mijn ogen kijken omdat alles te vel lijkt. Diep respect voor mensen met reuma, fibromyalgie, rugpijn, migraine of eigenlijk iedere andere ziekte waar je mee moet ‘leren’ leven. Als ik beter ben, zal ik wat dankbaa… Nee, we laten het even bij respect. Bij diep respect. Diep en diep respect voor jullie.

Op dag 5 vind ik mezelf een aansteller. Lees de alinea’s hierboven waarom.

De vanzelfsprekendheid van alledag

Op dag 6 typ ik dit blog. Mijn antibioticakuur is over en de hoofdpijn, misselijkheid en duizeligheid waren nare bijwerkingen van de antibiotica. Ik heb de dokter gebeld. Geen infectie maar een bacterie blijkt mijn leven de afgelopen week goed verziekt te hebben. Ze denken aan een ernstige vorm van voedselvergiftiging maar kunnen het niet met zekerheid zeggen.

Nadat ik heb opgehangen, kijk ik even naar de lucht en durf één ding hardop en vol moed te zeggen: Wat ben ik DANKBAAR dat ik beter word en dat dit het is. Dat ik niet een of andere parasiet levenslang met me mee moet dragen of onmiddellijk met het vliegtuig terug naar Nederland moet. Dankbaarheid is een groot goed. Ik zal het koesteren tot zij plaats moet maken voor het gewone alledaagse leven. Omdat we niet altijd maar dankbaar kunnen zijn voor alles maar heel af en toe best even stil kunnen staan, om kunnen kijken (of omhoog) voor die mensen waarbij (het) leven niet zo vanzelfsprekend is.


Wat je moet zien in Washington DC (maar dan net even anders)

reizen

In Washington zagen mijn vriend Kevin en ik de meest mooie dingen. In zo’n prachtige hoofdstad is alles ineens kunst, verbazingwekkend en speciaal. Wij vroegen ons af hoe het kan dat op reis alles ineens een extra dimensie krijgt.

Een bijzondere stoeptegel
Ik liep wekelijks op Amsterdam Centraal om de trein te pakken richting Utrecht. Hoofd voorover gebogen, snelle pas, irriterend aan langzame wandelaars of nog erger: (vooral Japanse) toeristen die zomaar stoppen om een foto te maken van een stoeptegel. Want ja, die stoeptegel lag wel hier in Amsterdam.

Kevin en ik bleken dol op Washington DC. Met dit fotoblog wil ik jullie de mooiste en bijzonderste plekjes van Washington showen. Vooral die plekjes die van grote waarde en niet-toeristisch zijn. Want Washington DC is voor iedereen zeker een aanrader!


We kennen allemaal de grote oranje pionnen, daar is niks bijzonders aan. Maar ooit wel eens de enige echte Amerikaanse Washington DC oranje pionnen gezien? Nee? IK WEL.

We kennen allemaal de grote oranje pionnen, daar is niks bijzonders aan. Maar ooit wel eens de enige echte Amerikaanse Washington DC oranje pionnen gezien? Nee? IK WEL.


In dit museum bekeken we designmeubels. In tegenstelling tot de meeste designmeubels die totaal niet praktisch maar wel duur zijn, zat deze bank heerlijk. Ga naar www.nga.gov (National Gallery of Art) voor de prijs van dit juweeltje.


Niemand maakt hier foto’s dus succes gegarandeerd! Echt bijzonder dat toeristen deze plek voorbij lopen. Als niemand kijkt, kun je best even over het hek heen klimmen, maar let op de COPS! Ze zijn overal hier in Washington DC.


De absurditeit van toerisme


Wat mensen met de toren van Pisa kunnen, kan ik met the Capitol. Zo’n selfie mag gewoon niet in je reisalbum missen. Zo charmant en dichtbij, hier kun je mensen jaloers mee maken.

Wat mensen met de toren van Pisa kunnen, kan ik met the Capitol. Zo’n selfie mag gewoon niet in je reisalbum missen. Zo charmant en dichtbij, hier kun je mensen jaloers mee maken.


Deze man in het blauw wilde graag op de foto met ons. En wij maar denken dat we nog helemaal niet zo bekend zijn met onze site Kevin&Bo. Dat tegendeel is bij deze bewezen!


Onderweg naar the Capitol kwamen we hier zomaar langs. Te leuk!


Jammer dat het plaatje van het schilderij zo klein is, maar het blijft een gaaf kunstwerk.


En als je dan toch het Amerikaanse gevoel op foto’s wilt uitdrukken. Dan kan een foto met een Dodge RAM 1500 niet missen.


Als je op de foto wilt met deze mega mooie machines die onze landbouw flink vooruit hebben geholpen de laatste eeuw, dan moet je in Washington DC goed opletten. Ze zijn zeldzaam in het centrum, dus extra bijzonder. Wat een geluk dat ik er twee tegenkwam!


Elke stoeptegel in Washington DC
verdient het om even bij stil te staan


Hier heb je weer zo’n echte Amerikaanse oranje pion. En ze waren bezig met wegwerkzaamheden. Wegwerkzaamheden worden de laatste jaren erg onderschat. Ik vind dat er meer aandacht moet komen voor dit grote, ondergewaarde en invloedrijke werk. Die wegwerkzaamheden zijn super belangrijk voor de Arlington Memorial BRIDGE en zeker een toeristisch en respectvol fotootje waardig.


Deze designprullenbakken (vlakbij The Washington Monument) zijn het knuffelen zeker waard!


Nog één vraagje:

Zowel in Princeton, New York als in Washington DC verbaasde Kevin en ik ons over de absurditeit dat toerisme heet. Maar is toerisme niet eigenlijk dat bewonderen waar we zelf waarde aan toe hebben gekend?