Niks gaat boven de liefde van een grootouder voor zijn of haar kleinkind

Mijn oma en ik staan in de keuken terwijl ik de tafeldek en mijn oma de zalm zo goed mogelijk probeert te bereiden. Het kruidenmengsel met fijngesneden dille, peterselie en bieslook heeft ze zojuist door de olijfolie geroerd en ze voegt er nog wat citroensap aan toe. De zalm bakt ze in een hete pan in een paar minuten op halfhoog vuur, waarna ze met veel zorgvuldigheid het stukje vis omdraait en de geur mijn neusgaten vult.

Liefde komt van beide kanten
Ik denk dat ik een jaar of 13 ben en luister naar de verhalen die mijn oma vertelt over het bereiden van vis. Ze knipoogt als ze haar verhaal afsluit met: ‘Meisje, neem van mij aan: liefde gaat altijd door de maag en niet alleen bij de man’. Ze lacht terwijl ik haar niet zo goed begrijp. Toch besef ik dat deze vrouw niet alleen heerlijk met mij kan eten, praten en lachen maar dat we samen zoveel meer zijn dan dat. De liefde komt niet meer onvoorwaardelijk van één kant. We groeien naar elkaar toe en onze verhouding wordt gelijkwaardiger.

Ik hou veel meer van jou en ik kan dat weten
We gaan aan tafel zitten en mijn oma schept de krieltjes op mijn bord. Dan schuift ze voorzichtig de zalm ernaast. In een opwelling vertel ik haar hoeveel ik van haar houd. Ze antwoordt: ‘Ik hou veel meer van jou en ik kan dat weten’. ‘Onzin’, vertel ik haar. ‘Jij weet helemaal niet wat ik voel, dus weet je ook niet of jij meer van mij houdt dan ik van jou. Misschien barst ik wel van de liefde en heb jij dat gevoel nog nooit gekend.’

‘Niks gaat boven de liefde van een grootouder voor zijn of haar kleinkind,’ zegt ze met volle mond. (Mijn oma heeft nu eenmaal de rare gewoonte om met volle mond te praten. Geen kind of kleinkind kan haar heropvoeden als het gaat om tafelmanieren.)

Een gesprek van oma tot kleinkind
‘Niks gaat boven de liefde van een kleinkind voor haar oma’, begin ik nu verontwaardigd en licht gepikeerd. Ze haalt haar schouders op. ‘Wacht maar af.’ En dat zal ik doen. Waarschijnlijk nog een jaar of 45. Ik neem een hap en op één punt heeft mijn oma in ieder geval gelijk: liefde gaat door de maag. ‘Niks gaat boven de liefde van mij voor jou,’ zeg ik expres met volle mond.


Wat voor type reiziger ben jij? Reis je meer met gevoel of met je verstand?

Reizen we om onszelf te vinden, als puur vermaak of willen we er ook echt iets van leren? Is reizen eigenlijk een zoektocht naar je ware zelf of heeft het vooral als doel kennis te vergaren? Nog niet zo heel lang geleden waren er twee grote stromingen actief in Europa met een totaal verschillende visie. Deze visie herkennen we vandaag de dag nog steeds in onze eigen idealen en gedachten.

Nog geen 300 jaar geleden moest er tijdens het reizen kennis opgedaan worden. Het gebruik van de rede en daarmee het kennistijdperk laat haar eerste sporen na aan het eind van de 17e eeuw. Het was het begin van wat we nu ook wel ‘De Verlichting’ noemen.

De Romantiek zette zich af tegen de Verlichtingsidealen en liet meer ruimte voor het gevoel en de emotie. Reis in deze blog mee terug naar het tijdperk van de Verlichting en de Romantiek en ontdek wat voor type reiziger jij bent!

De verlichtingsreiziger
1. De verlichtingsreiziger reist met een doel
“Het mooie Zuid-Engeland wacht! Je hebt je goed voorbereid en ingelezen, op ViaElla.nl kwam je een mooie inspiratiegids tegen en je hebt al helemaal een idee wat je wilt gaan ondernemen. Reizen beschouw je als een tijd van leermoment na leermoment.”

De verlichtingsreiziger is een cultuursnuiver, leergierig en geïnteresseerd in wat er om haar (of hem) heen gebeurt. Als ze de Cotswolds wilt ontdekken, verwondert ze zich niet alleen over de idyllische cottages en prachtige gele gevels, maar ze drinkt ook een lokaal biertje met een local en verdiept zich in de geschiedenis van de historische kastelen en eclectische landhuizen die het zuiden van Engeland zo typeert. Niet het reizen zelf is het doel, maar de bestemming.

2. De verlichtingsreiziger gebruikt zijn verstand
De Verlichting was een cultureel-filosofische stroming waarbij er ruwweg rond de 18e eeuw een verandering in het denken plaatsvond. Vóór deze tijd bepaalde godsdienst de manier van denken en was het geloof het centrale punt in ieders bestaan. Rond 1650 verschoof dit centrale punt van godsdienst naar kennis. Dankzij kennis zou alles beheersbaar worden en met behulp van de ratio (de rede, het verstand) zou men de waarheid vinden.

Je reisde dan ook slechts met een doel. Het ontdekken van nieuwe plekken, het rondtrekken als handelaar of het leren van andere volkeren stond centraal. Reizen was lang niet zo makkelijk als nu, maar ook op dit moment zijn er veel reizigers die maandenlang één land (of soms zelfs dorp) willen ontdekken. Of die de geschiedenis van een bepaalde streek niet oppervlakkig willen kennen, maar zich er echt in vastbijten.

3. De verlichtingsreiziger zoekt naar ‘praktisch nut’
Een belangrijk verlichtingsideaal is dat alles ‘praktisch nut’ moet hebben. De verlichtingsreiziger heeft dan ook, als ze thuis is en terugkijkt op haar reis, het gevoel dat de reis ‘nut’ heeft gehad.

De romantische reiziger
1. De romantische reiziger maakt een reis naar binnen
“Stel je eens voor: je kijkt op de klok en de laatste minuut van je werkdag is ingegaan. Je ruimt alvast je spullen op, pakt je jas van de kapstok en zegt je collega’s gedag. Je vakantie is begonnen! Eindelijk is de tijd daar om voor even te ontsnappen aan de alledaagse sleur en aan de maatschappij waar je in leeft.”

De romantische reiziger verzet zich tegen bestaande normen en gaat vooral op reis om ‘zichzelf’ te vinden. Door weg te gaan, maakt ze een reis naar binnen. Tijdens een prachtige wandeling in Zuid-Engeland langs het geliefde South West Coast Path, komt ze met elke stap dichter bij zichzelf. Opzoek naar ultieme vrijheid, is bij de romantische reiziger de weg belangrijker dan het doel.

2. De romantische reiziger hecht waarde aan emotie en intuïtie
De Romantiek was eind 18e eeuw voornamelijk een tegenreactie op de Verlichting. Met het wetenschapsdenken en het rationele brein dat de overhand had genomen, nam de Romantiek de subjectieve ervaring (intuïtie, emotie, spontaniteit, kunst en verbeelding) als uitgangspunt. Die subjectieve ervaring kwam altijd van het individu, waardoor het individualisme een enorme groei doormaakte.

De romantische reiziger trekt er dan ook graag alleen op uit. Niet alleen om dichter bij zichzelf te komen, maar ook om zich volledig onder te dompelen in een andere wereld.

3. De romantische reiziger wilt terug naar de natuur
Romantici wilden het liefst terug naar de oorspronkelijke, ongerepte natuur. Naar de onaangetaste landschappen van vóór de Industriële Revolutie. Het liefst ervaart de romantische reiziger een intense vrijheid in immense natuurgebieden met afwezigheid van de eigen soort.

Er is een continue gedachten dat vroeger alles beter was. Dat verlangen naar vroeger en naar een vrijheid die er misschien wel nooit was, gaat diep en heeft een mystiek en religieus element in zich. Niet voor niets worden er op dit moment enorm veel spirituele, filosofische en mystieke groepsreizen aangeboden om dit verlangen (deels) te vervullen. Het geluk wordt gezocht in de geest, de fantasie, de mystiek. Een vlucht voor het intense lijden dat de rauwe eigentijdse werkelijkheid teweegbrengt.

En nu?
Vandaag de dag hebben wij nog steeds te maken met sterke verlichtingsidealen of juist met het verzet van de romantici tegen deze waarden. Interessant daarbij is te kijken naar onszelf in deze tijd.

Hoe ben jij gevormd en gekneed door deze twee stromingen? Ben je door elkaar gehusseld en een combinatie van beide? Of hang je sterk naar één kant? Misschien nog wel interessanter: Herken je periodes in je leven waarbij je meer een romantische denker was terwijl je nu meer neigt naar het verlichtingsdenken?

Bewustwording door middel van reizen
Reizen is een bijzondere manier om je bewust te zijn van je eigen gedrag en handelingen. Om kennis op te doen, locals te ontmoeten en cultuur te ‘snuiven’ maar zeker ook om op te laden, over jezelf na te denken en te genieten van kunst en mystiek.

Of om simpelweg urenlang op een bankje te zitten met de steile krijtrotsen van Dover voor je, die uittorenen boven de woeste blauwe zee, met witte schuimkoppen die onuitputtelijk hun krachten tonen. De zon die je langzaam ziet verdwijnen in zee. Niet omdat het moet, maar omdat zowel de ervaring als de kennis zo prachtig in elkaar lijken te schuiven tijdens een bijzonder mooie reis.


Herinneringen – wat geef je ze mee?

Dit artikel heb ik geschreven voor www.opanoma.nl

Sommige mensen vragen zich af waarom we zouden terugkijken naar het verleden, als de toekomst nog komen gaat. Is het heden of de toekomst niet veel belangrijker dan het verleden? Als opa of oma weet je hoe belangrijk de herinnering is. En ook de herinneringen die ontstaan bij je kleinkinderen. Niet naar het verleden willen kijken, is ontkennen dat je als mens gevormd en gemaakt bent door de tijd waarin je hebt geleefd. Hoe mooi zou het zijn om herinneringen mee te kunnen geven aan dat prachtige wondertje dat nu om een koekje vraagt? ‘Alsjeeeeblieefft, allerliefst oma van de hele wereld?’

Misschien heb je het al ontdekt bij je kleinkind, maar het geheugen van kinderen is vaak een stuk beter dan dat van ons. Als kleuter kan je kleinkind nog vaak verhalen oprakelen uit zijn peutertijd. Helaas komt er een moment waarop herinneringen van kinderen ‘overschreven’ worden door nieuwe herinneringen. Dit gaat door totdat ze een jaar of 10 zijn. Vanaf dat moment zijn bepaalde herinneringen blijvend.

Het verleden levend houden
Wat kun je als opa of oma zelf doen om het verleden levend te houden? Om je kleinkinderen meer te laten herinneren van de tijd die ze samen met jou hebben doorgebracht? Hieronder een aantal tips:

1. Verhalen vertellen
Door verhalen te vertellen en herinneringen op te halen, houd je het verleden levend. Kinderen zijn dol op verhalen. Vooral als het gaat om verhalen die over henzelf gaan van toen ze nog baby of peuter waren.

2. De kracht van herhaling
Door meerdere keren naar de speeltuin te gaan of vaker hetzelfde verhaal te vertellen, treed de kracht van herhaling in werking. Eigenlijk is het idee heel simpel: Hoe vaker iets herhaald wordt, hoe groter de kans dat het blijft hangen.

3. Het geschreven woord
Voor de oma’s of opa’s die gek zijn van schrijven en knutselen: houd een schriftje bij met gekke uitspraken (prietpraat), leuke uitjes en plak foto’s of leuke knipsels in. Het uiteindelijke resultaat is een verhalenbundel die een leven lang plezier biedt, vol inspiratie, herinneringen en liefde.

En dan het allerbelangrijkste:
Om de zeer bekende filosoof Schopenhauer te parafraseren:

‘We betreuren het dat niet alles (wat we met onze kleinkinderen doen) een permanente afdruk achterlaat maar het is geruststellend om te weten dat de mentale indruk die het heeft gemaakt, voordat het wordt vergeten de geest vormt en voedt, nog voordat het naar de achtergrond verdwijnt en niet meer direct (als herinnering) opgehaald kan worden.’

Dat je kleinkinderen alles herinneren wat jij met ze onderneemt, is onmogelijk. Maar waarom zouden we dat willen? Misschien is de herinnering wel helemaal niet zo belangrijk. Is het niet van grotere betekenis dat je met je kleinkind lacht, speelt, naar haar luistert of hem troost en daarmee bijdraagt aan haar vorming en aan zijn geluk?

Trots op jezelf
Ben je trots op je kleinkind? Wees dan trots op jezelf. Want dankzij jouw onvoorwaardelijke liefde en steun is dat kleine dappere mannetje, uitgegroeid tot een prachtige jongvolwassen man. Gevormd door veel gebeurtenissen die hij zich niet meer kan herinneren, maar die hem wel hebben gemaakt zoals die nu is.


Kinderen leren volwassenen kijken, niet andersom

Dit artikel heb ik geschreven voor www.opanoma.nl

Ik sta op het schoolplein want ik heb zogeheten pleinwacht. De kinderen gebruiken dit half uur duidelijk om uit te razen. Ze rennen, springen en schreeuwen door elkaar, een meisje valt en een jongen helpt haar omhoog. Eva komt aanlopen en pakt mijn hand: ‘Juf, juf! Kom eens kijken. Wat ontzettend bijzonder niet?’ Ze wijst naar het klimrek en rechtsboven in de hoek is een spin bijna klaar met het spannen van zijn web.

Een regenboog van kleuren
Een lichtstraal valt precies door het web heen en weerkaatst het licht waardoor onze ogen verschillende kleuren waarnemen. Zoals de ogen van Eva glimmen, zo krijgen mijn ogen voor even dezelfde glans. Mijn mondhoeken gaan omhoog en ik verwonder mij net zo over dit mooie tafereel als de kleine Eva van 6. Ik moet denken aan Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). De Franse filosoof stelde dat kinderen niet worden belemmerd door vooringenomen kennis en daardoor de wereld aanschouwen met een ‘ongecorrumpeerde blik’. Het jonge kind kijkt onbevangen de wereld in met een fascinatie voor het onbekende, het kleine en gedetailleerde. Zoals Rousseau het treffend verwoordde: ‘Kinderen leren volwassenen kijken, niet andersom.

Filosoferen kun je leren
Ik luid de bel en alle kinderen verzamelen zich voor de ingang van de school. Het is tijd voor mijn filosofieles voor groep 3/4. De redeneringen van kinderen zijn vaak origineel, verrassend, ontroerend, creatief en bijzonder. Ze leren beter naar elkaar te luisteren, vragen aan elkaar te stellen, onder woorden te brengen wat ze denken, hun eigen ideeën te uiten, hun mening te formuleren en hun mondelinge taalvaardigheid groeit.

Heeft alles een voor- of achterkant?
Na driekwartier les te hebben gegeven, gaan we samen met de klas het gesprek aan over de volgende vraag: ‘Heeft alles een voor- of achterkant?’

Vincent, een wijs mannetje met een bril, probeert een antwoord te formuleren: ‘Ik denk dat niet alles een voor- of achterkant heeft. Sommige woorden kunnen dat niet hebben. Zoals ‘het leven’.’ En terwijl hij dit zegt, hoor ik zijn hersens kraken. Hij kijkt bedenkelijk, knijpt zijn ogen tot spleetjes en zegt: ‘Ja, natuurlijk kun je zeggen dat het leven een voorkant heeft want we worden geboren en dat zou dan de voorkant kunnen zijn. Maar de dood is toch geen achterkant? Daar zijn andere woorden voor. Juf, sommige dingen hebben geen voor- of achterkant.’

7 jaar en ik wil spontaan in mijn handen klappen van geluk. Ik beheers me. Het is moeilijk om een gesprek niet te sturen, geen goedkeuring te geven, niet eens te knikken om te laten zien dat je het met ze eens bent. Als filosofiejuf sta ik niet met mijn vingertje te wijzen, geef ik niet mijn eigen mening en probeer ik zo min mogelijk het gesprek te sturen.

Een tweede reactie
Fenna, een meisje dat geen blad voor de mond neemt, kwam met het antwoord dat bomen geen voor- of achterkant hebben. Olivia reageerde daarop met: ‘Maar Fenna, als jij voor een boom staat, dan is de kant waar jij tegenaan kijkt toch de voorkant? En als je dan een half rondje om de boom loopt, dan is dat opnieuw de voorkant! Zowel de voor- als achterkant wisselt dus steeds bij de boom!

Het is even stil en dan vraag ik aan Olivia: ‘Heeft een boom dus geen achterkant?’ Olivia zucht en draait met haar ogen zoals alleen jonge kinderen dat kunnen zonder arrogantie of ergernis op te roepen. ‘Ja, natuurlijk wel. Alleen die zullen we nooit kunnen zien.’

Voor even ben ik beduusd. Maar dat gevoel maakt al snel plaats voor verwondering. Wat is het bijzonder om met jonge kinderen te praten en van ze te kunnen leren. Hoe de ogen van een achtjarige de wereld rondspeuren opzoek naar eigen wijsheid en logica.

Opgesloten in een doos maar niet vastgeroest
Als volwassenen zitten we al vast in een doos, een kader van waaruit we moeten denken. En natuurlijk, die doos kan enorm groot zijn, maar uit die doos stappen kunnen we nooit meer. Het is ons referentiekader; het zijn onze herinneringen, gedachten, denkpatronen.

Mijn doos heeft aan de voorkant (als die voorkant al bestaat) een rond gaatje. Als ik daar doorheen gluur op dagen zoals deze, dan vang ik een glimp op van de onwetendheid, de onbevangenheid en de verwondering die kinderen zo kenmerkt. Het helpt mij om mijn doos af en toe te kunnen draaien, te kunnen verplaatsen. Zodat het niet vastroest en omdat ik weet: Kinderen leren volwassenen kijken, niet andersom.


Op reis leren we kijken

Dit artikel heb ik geschreven voor www.viaella.nl

Zuid-Engeland: Een plek bestaande uit glooiende heuvels, weelderige tuinen en pittoreske dorpjes. Samen met je partner kom je na een korte vlucht aan op het vliegveld waar een taxi jullie staat op te wachten. Onderweg kom je langs een groots en imposant landhuis met drie prachtige tuinen en eenmaal bij jullie optrekje vallen de goudgele zandstenen direct op.

Het huisje waar jullie in slapen, met een grote groene deur aan de voorkant, wordt via de binnenkant op de ouderwetse manier vergrendeld. Direct vallen de details je in het oog: Het kleine spiegeltje vol glinsterende diamantjes, het beetje stof in de hoek van de kamer en natuurlijk het zorgvuldig bewerkte houten voetenkastje naast de deur.

Aandachtig ontdekken
Op reis leren we kijken. We leren bewuster leven. Voor even sturen we ook onze automatische piloot op vakantie en openen daarmee letterlijk onze ogen. In bijvoorbeeld de romantische tuin van Bowood House, wandel je door een poort van blauweregen om dat ene verloren madeliefje tussen de rododendrons, magnolia’s en tulpen te zien staan. Omdat je meer open staat voor details, zie je meer en vallen daarmee dingen op die je anders over het hoofd zou hebben gezien.

Het leren kijken op reis, verleren we daarentegen snel als we weer thuis zijn. Het maakt dat de herinnering aan de reis uiteindelijk nog een stukje specialer en mooier wordt. Want waar aandacht gericht gefocust en gestuurd wordt, wordt er meer waargenomen en herinnerd. Ook al klinkt het misschien nog zo logisch: Aandachtig één voorwerp, dorpje, kasteel of schilderij bekijken, laat je meer ‘ervaren’ en ‘zien’ dan dat je van hot naar her racet om je ‘lijst met verwachtingen’ af te vinken.

Het kleine
Het kleine, gedetailleerde en authentieke wordt zichtbaar op reis. Maar alleen als de ogen geopend zijn. Zo vraagt denker Friedrich Nietzsche (1844-1900) zich af hoeveel mensen er niet door onze steden lopen zonder daadwerkelijk iets te zien. Hoeveel toeristen bezoeken de Eiffeltoren, het Colosseum of de Big Ben niet slechts omdat dat ‘hoort’ als je op de aangewezen plek bent?

Wij raden aan om af en toe wat langer op één plek te blijven. Om de haast te verliezen, de rust op te zoeken en te leren van een grote groep experts op dit gebied. Zij verwonderen zich over groot en klein, licht en geluid, kleur en textuur, gevoelens en gedrag. Maar ook zij komen in aanraking met de vanzelfsprekendheid die hoort bij het ouder worden.

Kinderen zijn professionals in verwonderen en op reis kruipen we voor even in hun huid. Om met grote ogen en ingehouden enthousiasme rond te lopen over smalle geplaveide straatjes, oude voorgevels en monumentale herenhuizen te ontdekken en uiteindelijk de dag te eindigen met de voeten in het warme zachte zand.


Ik wil gewoon kunnen praten, maar ik heb daar altijd taal voor nodig

Hoe taal allesbepalend is

Taal vormt ons en tegelijkertijd maken en vormen wij taal. Met mijn vriend Kevin stuit ik regelmatig op van die taalproblemen. Hij heeft aan een half woord genoeg, weet dat ik het niet racistisch bedoel als ik neger of zwarte zeg. Hij snapt het als ik iets probeer te zeggen over buitenlanders terwijl ik het heb over mensen die in Nederland geboren zijn.

Niet-westerlingen, verbeter ik mezelf dan. Nee, met een niet-westerse-achtergrond. Maar ook dat voelt alsof ik ze in een hokje stop. Je hoort er niet bij. Niet bij ‘ons’. Wat dat ‘ons’ dan ook mag zijn. Ik probeer het nogmaals: Mensen-met-een-niet-westerse-achtergrond-maar-wel-in-Nederland-geboren.

De inhoud van het het gesprek vervaagt, de betekenis doet er niet meer toe. Enkel interpretatie blijft over. Het maakt een gesprek lastig. Juist omdat ik een open gesprek wil voeren. Maar hoe kunnen we blijven praten met elkaar als losse woorden al zoveel interpretatie oproepen?

Neger, zwarte, niet-blanken

Voor mij is neger nooit een negatief woord geweest dus gebruikte ik het regelmatig. Kevin vindt dat een verschrikkelijk woord, het woord verwijst volgens hem naar de tijd van de slavernij. Een tijd waar wij, als witten of blanken, niet trots op mogen zijn. Ik schrok daarvan, mij niet bewust van het onbewust kwetsen dat ik deed met het woord neger. Ik verontschuldigde mezelf, vroeg hem welk woord zijn voorkeur had. Ik vroeg hem: Donkere mensen? Zwarte? Mensen-met-een-andere-huidskleur-dan-wij? Niet-blanken? Ineens klonk alles onprettig. Hij wist het niet. Ik wist het niet.

Kevin en ik snappen elkaars interpretatie, elkaars houding en gedachten. Wij begrijpen elkaars taal. Maar in gesprekken met anderen vind ik het moeilijk woorden te vinden zonder bepaalde indrukken te wekken, voorkeuren naar voren te laten komen en een gevoel daarbij op te roepen.

Voor de mensen die nu denken dat iedereen gelijk is, huidskleur er niet toe doet, je achtergrond ook niet en we ons niet zo druk moeten maken om ‘het naampje’, ontkennen de problematiek die er al zoveel jaren heerst. We moeten kunnen praten. Je kop in het zand steken is gevaarlijk. We hebben open communicatie nodig, we hebben taal nodig om tot elkaar door te dringen, om niet gelijk naar machinegeweren te graaien en ook niet gelijk te schreeuwen dat iedereen moet optyfen naar zijn eigen land.

MGBW'er

Ik wil gewoon kunnen praten. Ik wil over negers, zwarte, niet-westerlingen, blanken, witte en mensen-met-een-niet-westerse-achtergrond kunnen praten omdat dat nodig is. We hebben meer dan ooit de juiste woorden nodig voor het kunnen uitdrukken van wat we bedoelen. Maar taal verandert. Als ik nu een woord bedenk: MGBW’er (Mensen-die-hier-Geboren-zijn-maar-niet-Blank-en-ik-daar-niks-mee-bedoel-maar-wel-een-Woord-nodig-heb-om-te-communiceren) dan is MGBW’er binnen 20 jaar, en misschien in deze tijd binnen 5 jaar, een enorm beladen woord.

Mijn klasgenoot is een MGBW’er. (God, wat klinkt dit fout) en ik heb hem nooit durven vragen waar zijn ‘roots’ ligt. Bang om hem voor zijn hoofd te stoten. Bang om hem het gevoel te geven dat hij geen ‘echte’ Nederlander is met zijn kleurtje. Taal is complex maar wel ons enige redmiddel. Want doen alsof het er niet is, maakt het probleem groter, meer beladen en geeft meer ruimte aan kringen waarin ik me liever niet begeef.

Het kwartje gaat eindelijk rollen

Het is belangrijk dat er in debatten en discussies ruimte is om woorden te ontleden. En ineens valt daar het kwartje. Het kwartje dat al lang had moeten vallen bij vakken als Filosofische Vaardigheden of Taalfilosofie. Maar soms heb ik wat langer de tijd nodig. Want tijdens belangrijke gesprekken en discussies met filosofen (bijvoorbeeld tijdens Socratische gesprekken: een bepaalde gespreksvorm waarbij je probeert tot ware kennis te komen, wat dat dan ook mag zijn) is het ontzettend belangrijk eerst te weten wat er precies wordt bedoeld met bepaalde begrippen.

Filosofen krijgen vaak genoeg te horen dat ze vooral bezig zijn met taalspelletjes en dat de realiteit aan hen voorbij gaat. Dit omdat je als filosoof altijd eerst de vraag stelt: Wat bedoel je precies met buitenlander? Wat is voor jou vertrouwen? Kunnen we eerst definiëren wat we bedoelen met het woord identiteit voordat we gaan praten over ‘verlies van de Nederlandse identiteit’? En nee, we hoeven niet het woordenboek erbij te pakken. Het gaat erom dat je samen overlegt wat we in dit gesprek bedoelen met identiteit, vertrouwen, verlies, buitenlander, etc.

Niet toereikend

Als ik las dat filosofen 3 uur de tijd nodig hadden om te discussiëren over welke woorden ze zouden gebruiken, wat die woorden precies betekende en de begrippen helemaal hadden uitgewerkt, zuchtte ik diep. Dat is iets voor intellectuelen, voor grote breinen, universitaire geleerden, bekende namen maar niet iets voor mij. Toch is het kwartje gaan rollen.

Door te ontdekken dat taal prima is, een heel belangrijk communicatiemiddel maar niet alles omvat. Omdat taal zo ontzettend veel tekortkomingen kent. Door vooral te luisteren naar gesprekken tussen klasgenoten, mensen op verjaardagen en de debatten in de Tweede Kamer kom ik steeds meer tot de conclusie dat taal niet toereikend is. We praten met begrippen waarvan we niet weten wat de ander daaronder verstaat. Kevin en ik maken ruzie omdat dat ene woord verkeerd valt. Na een goed gesprek schieten we beide in de lach. Serieus? We interpreteerde één woord beide verschillend en dat mondt uit in een discussie, in een miscommunicatie?

1000 woorden

1000 woorden heb ik nu gebruikt om te vertellen dat taal vele vormen van interpretatieproblemen en tekortkomingen kent. En nog heb ik mijn punt niet kunnen maken omdat ik taal daarvoor nodig had.

Hoe taal allesbepalend is

Taal vormt ons en tegelijkertijd maken en vormen wij taal. Met Kevin stuit ik regelmatig op van die taalproblemen. Hij heeft aan een half woord genoeg, weet dat ik het niet racistisch bedoel als ik neger of zwarte zeg. Hij snapt het als ik iets probeer te zeggen over buitenlanders terwijl ik het heb over mensen die in Nederland geboren zijn.

Niet-westerlingen, verbeter ik mezelf dan. Nee, met een niet-westerse-achtergrond. Maar ook dat voelt alsof ik ze in een hokje stop. Je hoort er niet bij. Niet bij ‘ons’. Wat dat ‘ons’ dan ook mag zijn. Ik probeer het nogmaals: Mensen-met-een-niet-westerse-achtergrond-maar-wel-in-Nederland-geboren.

”Alsof je wilt zeggen: Ze horen er niet bij”

De inhoud van het het gesprek vervaagt, de betekenis doet er niet meer toe. Enkel interpretatie blijft over. Het maakt een gesprek lastig. Juist omdat ik een open gesprek wil voeren. Maar hoe kunnen we blijven praten met elkaar als losse woorden al zoveel interpretatie oproepen?

Neger, zwarte, niet-blanken

Voor mij is neger nooit een negatief woord geweest dus gebruikte ik het regelmatig. Kevin vindt dat een verschrikkelijk woord, het woord verwijst volgens hem naar de tijd van de slavernij. Een tijd waar wij, als witte of blanken, niet trots op mogen zijn.

Ik schrok daarvan, mij niet bewust van het onbewust kwetsen dat ik deed met het woord neger. Ik verontschuldigde mezelf, vroeg hem welk woord zijn voorkeur had. Ik vroeg hem: Donkere mensen? Zwarte? Mensen-met-een-andere-huidskleur-dan-wij? Niet-blanken? Ineens klonk alles onprettig. Hij wist het niet. Ik wist het niet.

Kevin en ik snappen elkaars interpretatie, elkaars houding en gedachten. Wij begrijpen elkaars taal. Maar in gesprekken met anderen vind ik het moeilijk woorden te vinden zonder bepaalde indrukken te wekken, voorkeuren naar voren te laten komen en een gevoel daarbij op te roepen.

Voor de mensen die nu denken dat iedereen gelijk is, huidskleur er niet toe doet, je achtergrond ook niet en we ons niet zo druk moeten maken om ‘het naampje’, ontkennen de problematiek die er al zoveel jaren heerst. We moeten kunnen praten. Je kop in het zand steken is gevaarlijk. We hebben open communicatie nodig, we hebben taal nodig om tot elkaar door te dringen, om niet gelijk naar machinegeweren te graaien en ook niet gelijk te schreeuwen dat iedereen moet optyfen naar zijn eigen land.

”Kevin en ik begrijpen elkaars taal”

MGBW'er

Ik wil gewoon kunnen praten. Ik wil over negers, zwarte, niet-westerlingen, blanken, witte en mensen-met-een-niet-westerse-achtergrond kunnen praten omdat dat nodig is. We hebben meer dan ooit de juiste woorden nodig voor het kunnen uitdrukken van wat we bedoelen. Maar taal verandert.

Als ik nu een woord bedenk: MGBW’er (Mensen-die-hier-Geboren-zijn-maar-niet-Blank-en-ik-daar-niks-mee-bedoel-maar-wel-een-Woord-nodig-heb-om-te-communiceren) dan is MGBW’er binnen 20 jaar, en misschien in deze tijd binnen 5 jaar, een enorm beladen woord.

Mijn klasgenoot is een MGBW’er. (God, wat klinkt dit fout) en ik heb hem nooit durven vragen waar zijn ‘roots’ ligt. Bang om hem voor zijn hoofd te stoten. Bang om hem het gevoel te geven dat hij geen ‘echte’ Nederlander is met zijn kleurtje. Taal is complex maar wel ons enige redmiddel. Want doen alsof het er niet is, maakt het probleem groter, meer beladen en geeft meer ruimte aan kringen waarin ik me liever niet begeef.

Het kwartje gaat eindelijk rollen

Het is belangrijk dat er in debatten en discussies ruimte is om woorden te ontleden. En ineens valt daar het kwartje. Het kwartje dat al lang had moeten vallen bij vakken als Filosofische Vaardigheden of Taalfilosofie.

Maar soms heb ik wat langer de tijd nodig. Want tijdens belangrijke gesprekken en discussies met filosofen (bijvoorbeeld tijdens Socratische gesprekken: een bepaalde gespreksvorm waarbij je probeert tot ware kennis te komen, wat dat dan ook mag zijn) is het ontzettend belangrijk eerst te weten wat er precies wordt bedoeld met bepaalde begrippen.

Filosofen krijgen vaak genoeg te horen dat ze vooral bezig zijn met taalspelletjes en dat de realiteit aan hen voorbij gaat. Dit omdat je als filosoof altijd eerst de vraag stelt: Wat bedoel je precies met buitenlander? Wat is voor jou vertrouwen? Kunnen we eerst definiëren wat we bedoelen met het woord identiteit voordat we gaan praten over ‘verlies van de Nederlandse identiteit’? En nee, we hoeven niet het woordenboek erbij te pakken. Het gaat erom dat je samen overlegt wat we in dit gesprek bedoelen met identiteit, vertrouwen, verlies, buitenlander, etc.

Niet toereikend

Als ik las dat filosofen 3 uur de tijd nodig hadden om te discussiëren over welke woorden ze zouden gebruiken, wat die woorden precies betekende en de begrippen helemaal hadden uitgewerkt, zuchtte ik diep. Dat is iets voor intellectuelen, voor grote breinen, universitaire geleerde, bekende namen maar niet iets voor mij. Toch is het kwartje gaan rollen.

Door te ontdekken dat taal prima is, een heel belangrijk communicatiemiddel maar niet alles omvat. Omdat taal zo ontzettend veel tekortkomingen kent. Door vooral te luisteren naar gesprekken tussen klasgenoten, mensen op verjaardagen en de debatten in de Tweede Kamer kom ik steeds meer tot de conclusie dat taal niet toereikend is.

We praten met begrippen waarvan we niet weten wat de ander daaronder verstaat. Kevin en ik maken ruzie omdat dat ene woord verkeerd valt. Na een goed gesprek schieten we beide in de lach. Serieus? We interpreteerde één woord beide verschillend en dat mondt uit in een discussie, in een miscommunicatie?

1000 woorden

1000 woorden heb ik nu gebruikt om te vertellen dat taal vele vormen van interpretatieproblemen en tekortkomingen kent. En nog heb ik mijn punt niet kunnen maken omdat ik taal daarvoor nodig had.


Als januarikind jarig zijn in de zomer

Ik ben jarig. Jarig terwijl de zon schijnt. Misschien is het de zon, misschien het feit dat de mensen hier niet weten dat deze dame 23 is geworden, maar deze dag voelt hetzelfde als die van gister. En eergisteren.

Doorgewinterd

Op mijn verjaardag is het (voor zover ik weet) al 22 jaar koud, winderig en vroeg donker. Er is een kans dat ik daardoor serieuzer van aard ben. Zwaarmoediger misschien. Een denker, een doorgewinterde ambitieuze filosofiestudente. Omdat ik praten over eindigheid heerlijk vind, schrijven over betekenis geven aan het leven een plicht en lezen over grote intellectuelen een uitdaging.

Mijn moeder zei vroeger wel eens dat ik beren op de weg zag. Dat ik niet zo ‘zwaar op de hand’ moest zijn. Maar ik vind beren mooie wilde dieren. Heb jij ooit een grote bruine grizzlybeer op de weg gezien terwijl je in je gehuurde jeep een rondreis maakte door West-Canada? Nee eh? Ik dus wel.

Interessante, aantrekkelijke en grote grizzlyberen

Soms begreep ik die uitdrukking niet zo goed. Beren op de weg zien lijkt iets negatiefs in zich te dragen. Maar de beren die ik zag waren niet per direct gevaarlijk. Eerder groot en met een enorme aantrekkingskracht. Van nature ben ik een nieuwsgierig type en als je je jeep verlaat en uitstapt om zo’n beer aan te raken, tja.. dan doet dat soms pijn.

Die pijn kan diep gaan. Dat heb ik als 15-jarige geweten. Moeite met meedoen in een wereld waar we eigenlijk niet zo goed weten wat te doen. Moeite om mee te doen met het toneelstuk dat leven heet. Moeite omdat ik een pijn voelde in mij waar ik later in de filosofie pas woorden voor kreeg.

Het houdt mij in ieder geval niet tegen om met mensen het gesprek aan te gaan. Om taboes op tafel te gooien en de schrik van hun gezicht te lezen als ik ze wil voorstellen aan een aantal beren. Zwaarmoedigheid of beren op de weg zien is iets anders dan openstaan voor de niet uitgesproken aannames die mensen geneigd zijn te zien als waarheid.

Dat ik wil praten over pedofilie, slechts om ruimte te scheppen in iemands brein en kortzichtigheid in het denken weg te nemen, wil niet zeggen dat ik een voorstander ben van kindermisbruik. Als ik vraag waarom we (het) leven koste wat het kost moeten waarderen en leuk moeten vinden, wil dat niet zeggen dat ik depressief ben.

Een januarikind

Mijn moeder wilde een lentekind. Een meikindje. Het klonk haar goed in de oren en misschien had ik dan minder nagedacht over dingen waar mensen het eigenlijk helemaal niet over willen hebben. Wegkijken en doodgaan is makkelijker dan uit de jeep stappen, beren aaien, pijn voelen en doodgaan. Toch zou ik er zelf niet voor willen kiezen.

Hoeveel zinloosheid er ook door mij heen zal razen in dit leven, ik ben altijd gelukkiger mét mijn filosofieboek onder mijn arm dan zonder. En zeg nu zelf: zijn er heel veel mensen die in hun leven een beer hebben aangeraakt? Ik geniet er keer op keer van. De gevolgen neem ik voor lief. Ik ben en blijf toch een januarikind.


Als geld verdienen alles overheerst, ook onze relaties

Alles is te koop, ook jij
Alles kunnen we verkopen, ook mij

Mijn ukeleleleraar en ik

Het is maandagavond. Luis pakt zijn ukelele en kijkt me met een grote grijns aan: ‘Ben je er weer klaar voor?’ zegt hij met zijn Mexicaanse accent.
‘Goed geoefend?’ Ik glimlach en samen spelen en zingen we Umbrella van Rihanna.

‘When the sun shines we’ll shine together
Told you I’ll be here forever that I’ll always be your friend’

Ukelele spelen voor niks

5 maanden geleden zocht ik een ukeleleleraar. Via facebook kwam ik in contact met Luis, een Mexicaanse man die erg muzikaal is. Bij de eerste afspraak vroeg ik direct wat het ging kosten: een uur spelen per week. Hij keek me glimlachend aan en zijn vrouw schoot in de lach. ‘Niks natuurlijk. Wij vinden het hartstikke leuk om samen met jou een uur in de week ukelele te spelen!’

Huh? Ik snapte er niks van. Waarom zou je geen geld vragen als ik bereid was geld te geven? Je zou elke week een tientje kunnen vangen voor precies datgene wat je nu ‘voor de leuk’ doet. Ik begreep het niet. In mijn hoofd zat de overtuiging dat je met alles geld kunt verdienen.

Als kind krijg je al betaald voor allerlei klusjes en op mijn beurt betaalde ik voor muziekles, yogales, meditatieles, theaterles, bijles en filosofische avondjes uit. Het leven draait om geld uitgeven en geld verdienen. Waarom maakte Luis de beslissing geen geld te vragen voor zijn muziekles? Waarom zorgde hij er niet voor dat meer mensen die ukeleleles wilden volgen een groepje zouden vormen waaraan hij wat extra’s kon verdienen?

Luis leerde mij indirect de waarde van geld.

Verkoper of consument

Relaties tussen mensen onderling doen zich steeds meer voor als relaties tussen mens en koopwaar. In het kapitalisme verzakelijkt de sociale verhouding tussen mensen doordat mensen in eerste plaats verkoper of consument zijn. Jij kan goed sporten? Ik betaal je om mij persoonlijk te begeleiden. Leuk met kinderen? Misschien moet je onthaalouder worden, dan kun je er ook nog wat aan verdienen! Onderlinge relaties worden kouder doordat we bij zoveel handelingen betalen of betaald worden. Menselijke verhoudingen raken we kwijt omdat de relatie tussen mensen wordt zoals de relatie tussen dingen. We hoeven geen lichamelijk contact meer te hebben aangezien we veel via internet kunnen kopen en gaan als het moet zelfscannend de supermarkt door.

Als ik betaald had gehad voor mijn ukelelelessen, had ik nu nooit zo goed bevriend geweest met Luis. Ik had eisen en verwachtingen gehad. Ik had elke week afgewogen of mijn 10 euro het wel waard was en tijdens de lange avonden die we praatten over filosofie, had ik mezelf continu afgevraagd of ik hun tijd niet stond te verdoen. Je krijgt ukeleleles maar je moet iets terug doen, via geld betaal je je schuld af. Ik zou ze hebben afgekocht zodat er geen scheve verhouding zou ontstaan. De relatie zou verzakelijken. Ik ben immers een betalende klant, hij verkoopt mij zijn vaardigheid en tijd.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen?

Winst maken en geld verdienen stijgt uit boven onze menselijke belangen. De betekenis van het leven vervaagt als er geld verdiend kan worden. Geld is al lang geen middel meer om in je onderhoud te voorzien, zoals het ooit bedoeld was. Het is een ding dat op zichzelf staat. Het is verzelfstandigd. We willen geld verdienen om nog meer geld te hebben zonder dat we beseffen dat geld op zichzelf geen waarde kent. Geldfetisjisme. We verlangen naar het hebben van geld om het geld. Maar plaatst geld zichzelf op dit moment niet boven onze omgangsvormen, waarden en normen? Sterker nog: Staat geld niet boven sociale relaties? Als relaties tussen mensen verzakelijken omdat we elkaar in eerste instantie niet zien als sociaal dier, mens, vreemde of vriend maar als koper of verkoper, hoe komen we dan nog tot elkaar?

Luis verzet zich tegen het kapitalistische idee om overal geld mee te verdienen. Luis leerde me indirect dat geld veel kapot kan maken. Dat er niet altijd iets tegenover hoeft te staan wanneer jij je tijd besteedt en je vaardigheden leert aan anderen. ‘Dankbaarheid,’ zei hij, ‘is één van de mooiste eigenschappen van de mens’. Ik denk dat Luis onbewust weerstand bood, voor dat wat hij om zich heen zag gebeuren. Dat relaties verzakelijken op een niveau dat hem niet aanstond. Hij zou het waarschijnlijk niet op deze manier letterlijk zo hebben bedacht, maar iets in hem was in protest gekomen. In protest tegen de manier waarop we nu kijken naar andere mensen. Alsof het producten zijn. Alsof het consumenten of verkopers zijn.

Luis, zijn vrouw en ik kregen een bijzondere band. Een band die het cliché in stand houdt dat vriendschap niet te koop is. Mijn buurvrouw komt af en toe langs. Op mijn beurt leer ik haar de beginselen van het ukelelespelen. En nee, daar betaalt ze niet voor.

‘When the sun shines we’ll shine together
Told you I’ll be here forever that I’ll always be your friend’


Volwassenen rennen niet

Ik ben 22. Misschien is het hoog tijd. Hoog tijd om volwassen te worden. En volwassenen rennen niet.

Franz Josef

We staan op een camping in Franz Josef. Een dorpje vernoemd naar een gletsjer die op zijn beurt weer vernoemd is naar een keizer van Oostenrijk rond 1870. De camping is groot. Twee grote sanitaire gebouwen, rijen wasmachines en 4 keukenblokken moeten er voor zorgen dat vakantiegangers en backpackers het naar hun zin hebben. Bij de ingang staat een koelkast met ons eten, terwijl wij aan het einde van de camping staan met onze minicampervan.

Wij zijn vergeters

Mijn vriend en ik zijn vergeters (misschien bestaat dit woord niet, in dat geval heb ik het lekker zelf bedacht). En 1 vergeter in de relatie is oké, dat kunnen de meeste relaties wel aan, maar twee is geen goede combinatie. We vergeten letterlijk alles. Van onze mobiel in het toiletblok tot onze handdoek bij het douchen (waar je natuurlijk pas achterkomt als de warme stralen heerlijk je naakte huid verwennen). Van onze vuilnis achterlaten bij een dumpstation (waardoor we nog twee dagen extra met een stinkende vuilniszak in de auto moeten rondzeulen), tot chocoladepasta bij de supermarkt.

Kortom: een grote camping waarbij de faciliteiten ver uit elkaar liggen is voor ons niet super handig. Vanavond rende ik naar voren om onze paprika uit de koelkast te halen. Eenmaal in het keukenblok rende ik terug om ook de wortel uit de tas te halen. Na het eten herkende de andere reizigers de rennende debiel die nu de halve wortel en halve paprika terug kwam leggen in de koeling. Ineens werd ik mij pijnlijk bewust van mijn volwassenheid. Ik ben niet meer dat meisje van 8 dat alles huppelend kan doen. Of dat onschuldige elfjarige meisje dat de hele camping over rent en lachende gezichten in ontvangst neemt.

Doe maar niet

Mensen verdraaien bijna hun nek, schrikken op of springen aan de kant al probeer ik nog zo zachtjes op het knesperende grind te rennen. Het is niet normaal. En ook al heb ik een hekel aan dat woord, toch wil ik anderen niet tot last zijn. Hardlopen als sport of rennen voor een trein oké, maar daar houdt het volwassen rennen dan ook echt mee op. De toiletten zijn 20 meter verderop en het liefst ren ik daarheen. Niet omdat ik haast heb, noch omdat ik tijd wil besparen, gewoon omdat ik dat lekker vind.

Dus ik probeer volwassen te worden. Ik loop netjes naar het toilet, verwonder mij niet over de prachtige sterrenhemel ‘s nachts en ik ben chagrijnig als het regent. Ik doe mijn best, maar soms… heel soms als ik een jongetje van 4 in een plas zie springen en glunderend naar de hemel zie kijken terwijl het water in zijn gezicht spat, dan trek ik mijn schoenen uit en stamp met mijn blote voeten mee. Zonder dat iemand het ziet spring ik, dans ik en zing ik in de regen. En ietsje vaker ren ik gewoon naar de wc, negeer ik de blikken en ren terug. Dat is toch niet normaal. Nee, maar volwassen worden moeten we leren. Bij de één gaat dat sneller dan bij de ander. Ik gok bij mij errrrggg traag, ben ik even blij.


Met de ambulance mee

Het ene moment zwem je in één van de mooiste meren ter wereld, het volgende moment lig je in een ambulance opweg naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis 45 minuten verderop. Het leven, een reis of een dag kan gek lopen. Zie hier mijn week:

Dinsdag 9 januari. Kevin & ik besluiten de ‘oostkust’ van Lake Pukaki te bezichtigen maar al snel voel ik me niet lekker en zoeken we een toilet op. Daarbinnen weet ik niet wat me overkomt. Ik zal jullie de details besparen maar mijn lichaam heeft besloten alles wat er op dat moment inzit eruit te gooien. Het enge: Ik verlies ontzettend veel bloed. En bloed in de ontlasting is nooit goed, dus staan we een uur later bij een huisartsenpraktijk waar ik mijn naam en wat papieren in moet vullen. Op het moment dat de vrouwelijke huisarts vraagt hoe het gaat, voel ik hoe mijn hoofd langzaam de grip op de realiteit verliest. Het verlaat de plek waar ik op dat moment ben en mijn lichaam kan enkel omvallen. Ik hoor de huisarts een lichte gil slaken en zeggen: ‘Is she still alive? Is she still breathing?’ Ik hoor iemand rennen en probeer te fluisteren dat ik gewoon aan het flauwvallen ben. Mijn lippen gaan niet heen en weer. Ik probeer het nog een keer. Nog steeds niks. Oké, laat maar. En weg ben ik.

Met de ambulance mee

Nog geen 10 seconden later open ik mijn ogen in de wachtkamer terwijl de arts wat vragen stelt. Ik wil gaan zitten als mijn hoofd besluit dat het daar nog niet aan toe is. Een andere huisarts komt aanlopen met een rolstoel en wilt dat ik naar een aparte kamer wordt gebracht. Alles in me protesteert en eenmaal in die stoel val ik direct weer flauw en het ergste: Ik kots over iedereen heen. Opnieuw kan ik alles verstaan maar kan ik geen teken van fysiek leven geven. Dan zie ik Kevin weer en zeg: ‘Ik proef spuug.’ Hij begint te lachen. ‘Ja dat klopt. Je hebt over de huisartsen en een man die je te hulp schoot heen gespuugd. De ambulance komt je halen en je wordt naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis gebracht in Timaru.’ Ik zucht. ‘Als ik maar beter word’.

Als ik maar beter word

Dat laatste zinnetje heb ik de laatste paar dagen enorm veel gedacht. Problemen lijken te vervagen. Wat eerst belangrijk leek, is nu niet meer dan een ‘to do list item’ voor op reis en ik irriteer me enorm aan het grote cliché: ‘Wees blij dat je gezond bent, aangezien er zoveel mensen (chronisch) ziek zijn.’ Op het moment dat je je goed voelt, heb je daar helemaal geen snars aan en we kunnen onmogelijk altijd maar dankbaar zijn voor alles en iedereen. Maar in dat ziekenhuis en de dagen daarna dat ik plat lig van de medicatie, hoofdpijn en buikpijn lijkt het cliché ineens zo waar. (Ja daarom heet het een cliché, ik weet het.)

Als ik die avond rond 21:00 uit het ziekenhuis ontslagen word en ik waarschijnlijk een infectie heb opgelopen door het vele zwemmen in meren en rivieren, rijden we naar een camping verderop. Ik heb flink wat antibiotica mee en zal over 5 dagen terug moeten bellen voor de uitslag van de bloed- en poeptest die ze hebben afgenomen. De volgende drie dagen kan ik niks behalve zielig zijn en slapen. Ik haat het om ziek te zijn. Ook zo’n vanzelfsprekendheid, wie niet eh? Maar ik haat het extra om ziek te zijn, zeg ik tegen mezelf. Gewoon omdat de dialoog aangaan met mezelf, het enige is wat ik kan doen.

Medelijden

Op dag 2 heb ik ineens medelijden met ieder mens op deze aardbol die een vorm van migraine of vaak hoofdpijn heeft. In mijn hoofd lopen verschillende sterke kerels met pikhouwelen te bikken opzoek naar diamanten. Zachtaardig gaan ze niet te werk maar luisteren doen ze niet. Het gedreun, gestamp en gebonk in mijn hoofd gaat maar door. Als ik ergens nooit last van heb, is het hoofdpijn. Wat fijn dat ik hier eigenlijk nooit last van heb! Daar mag ik wel wat dankbaarder voor… BLEEHH gadver. Niet meer denken Bo. Die dankbaarheid komt me mijn neus uit.

Op dag 3 vind ik mezelf in de ochtend enorm zielig. Gedachtes als: ‘Waarom ik? Waarom moest mij dit overkomen?’ verban ik naar een diep donker kamertje ver in mijn lichaam met een groot slot op de deur. Aan dat soort gedachtes heb je niks en ze zijn daarnaast enorm nutteloos. Maar het gevoel dat ‘ik altijd wat heb’ verdwijnt niet. Ik spreek mezelf streng toe: ‘Bo Kok, jij verwend nest! Je bent nu ruim 3 maanden op reis en heb je al iets gehad? Nee! Geen splinter in je vinger, geen teen gestoten! Heb je wel gedacht aan al die mensen die niet op reis kunnen? Wees dankbaar dat je dit allemaal mag doen!’

In mijn hoofd piept een klein stemmetje die nog net durft te fluisteren: ‘2 jaar geleden heb ik een oorontsteking in Amerika opgelopen hoor, daar heb ik nog heel lang last van gehad. En kun je alsjeblieft stoppen met zeggen dat ik wat dankbaarder moet zijn?’. Maar het stemmetje heeft al geen recht meer van spreken. Er wordt niet meer naar haar geluisterd.

Weet je wat? GOD mag me komen halen

Op dag 4 vind ik mezelf zwak. Enorm zwak. Er zijn zoveel mensen (chronisch) ziek en zie mij hier nou een beetje liggen. Doen alsof ik bijna dood ga. Ik kan niet eens 4 dagen ziek zijn want GOD kan me al snel komen halen, ik zou direct toestemmen met zijn voorstel. Alles doet zeer. Ik voel overal een enorme spierpijn en ik kan bijna niet uit mijn ogen kijken omdat alles te vel lijkt. Diep respect voor mensen met reuma, fibromyalgie, rugpijn, migraine of eigenlijk iedere andere ziekte waar je mee moet ‘leren’ leven. Als ik beter ben, zal ik wat dankbaa… Nee, we laten het even bij respect. Bij diep respect. Diep en diep respect voor jullie.

Op dag 5 vind ik mezelf een aansteller. Lees de alinea’s hierboven waarom.

De vanzelfsprekendheid van alledag

Op dag 6 typ ik dit blog. Mijn antibioticakuur is over en de hoofdpijn, misselijkheid en duizeligheid waren nare bijwerkingen van de antibiotica. Ik heb de dokter gebeld. Geen infectie maar een bacterie blijkt mijn leven de afgelopen week goed verziekt te hebben. Ze denken aan een ernstige vorm van voedselvergiftiging maar kunnen het niet met zekerheid zeggen.

Nadat ik heb opgehangen, kijk ik even naar de lucht en durf één ding hardop en vol moed te zeggen: Wat ben ik DANKBAAR dat ik beter word en dat dit het is. Dat ik niet een of andere parasiet levenslang met me mee moet dragen of onmiddellijk met het vliegtuig terug naar Nederland moet. Dankbaarheid is een groot goed. Ik zal het koesteren tot zij plaats moet maken voor het gewone alledaagse leven. Omdat we niet altijd maar dankbaar kunnen zijn voor alles maar heel af en toe best even stil kunnen staan, om kunnen kijken (of omhoog) voor die mensen waarbij (het) leven niet zo vanzelfsprekend is.