Filosofisch interview met Barry Mahoney over Filosofieonderwijs in het vmbo, meningsvorming, filosofie, toegepaste filosofie, burgerschap, maatschappijleer

Interview Barry Mahoney “Alleen maar zeggen ‘dit vind ik’, is nooit genoeg”

Gepubliceerd in Phronèsis, het vakblad voor Toegepaste Filosofie
www.phronesismagazine.nl
Interview met lerarenopleider Barry Mahoney
Door: Bo Kok

Barry Mahoney leidt docenten Maatschappijleer op aan de Hogeschool van Amsterdam en studeerde Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij mag zichzelf sinds 2014 Socratisch Gespreksleider noemen en begint binnenkort met zijn PhD, waarin hij onderzoekt of het socratisch gesprek bij mbo-niveau 4-studenten leidt tot beter kritisch denken. Mahoney pleit voor filosofieonderwijs in het vmbo, vindt denkruimte creëren bij jongeren een vereiste en dwingt leerlingen verantwoordelijkheid te nemen voor het gesproken woord.

Filosofieonderwijs in het vmbo, meningsvorming, Barry Mahoney, interview, filosofie, toegepaste filosofie, burgerschap, maatschappijleer

Als docent op de HVA leid je toekomstige maatschappijleer docenten op. Hoe zou je jezelf omschrijven als docent en welke houding neem je daarbij aan?
“Ik ben een filosofische zeikerd. Een horzel, zoals Socrates ook wel wordt genoemd door zijn geniale, botte maar oprechte manier van waarheidsvinding. Socratisch zeiken is voor mij een houding die ik af en toe aanneem in mijn lessen, waarbij ik leerlingen even laat stoppen met wat ze aan het doen zijn, met wat ze denken. Wat gebeurt hier? Welke aannames doe je en welke argumenten heb je?

WAAROM LIGT DE NADRUK IN HET ONDERWIJS OP LEREN EN NIET OP DENKEN?

Ik probeer ze te leren kijken naar hun eigen gedachten en deze heel traag af te pellen. De meeste leerlingen ervaren op zo’n moment een aporie. Uit een bepaalde vraag komt niet altijd een bevredigend antwoord. Leerlingen raken verward en weten niet meer hoe het zit. Ze raken in verwarring over hun eigen ideeën. Eerst dachten ze zeker over iets te zijn, maar dat is opeens niet meer zo vanzelfsprekend. Het is een prachtig fenomeen om te zien bij die jongelui, waar ik ontzettend van kan genieten. Iemand die twijfelt, die blaast zichzelf niet op. Als je extreem bent, dan twijfel je niet.”

Je pleit voor filosofieonderwijs in het vmbo. Op dit moment wordt het vak filosofie alleen aangeboden op de havo en het vwo. Er heerst het stigma dat filosofie alleen voor denkers, geleerden of intellectuelen interessant is. Wat zou filosofie vmbo’ers kunnen bieden?
“Filosofie is het leren inzien dat gedachten tijdelijk zijn. Dat het constructies zijn. Voor alles wat je wilt leren, moet je eerst leren denken. Maar waarom ligt de nadruk in het onderwijs dan vooral op dat leren en niet op het denken? Denkruimte creëren is essentieel en daar is de socratische methode erg geschikt voor.

Uit internationaal onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat kinderen op het vmbo matig scoren op burgerschapcompetenties. Dit zijn 60 procent van onze leerlingen! En juist op het vmbo is er geen ruimte voor een vak als filosofie, waarbij leren nadenken, je mening kunnen beargumenteren en meerdere perspectieven kunnen zien, centraal zouden kunnen staan. Op havo/vwo leren kinderen bij maatschappijleer vooral kritisch denken en reflecteren op bestaande structuren. In het vmbo leren kinderen voornamelijk hoe je je hoort te gedragen in een samenleving. Dat laatste is toch niet wat je wil? Je wil leerlingen zelf leren nadenken, leren hun eigen mening te bekritiseren en leren dat woorden niet gratis zijn.”

“IEMAND DIE TWIJFELT, BLAAST ZICHZELF NIET OP.”

Bedoel je daarmee dat we verantwoordelijkheid moeten nemen voor wat we zeg- gen? Steeds vaker hoor je het pseudo-argument: ‘Dat is gewoon mijn mening’ en daarmee is het gesprek dan ten einde. Ook veel jongeren blijken goed te zijn in hun mening delen met de rest van de wereld, zonder met gegronde of goed onderbouwde argumenten te komen.
“Ja, tegenwoordig kun je zeer makkelijk wegkomen met ‘dat is gewoon mijn mening’. Maar zoals Hannah Arendt zegt, zijn woorden die in de buitenwereld terecht komen, direct een aanleiding om het erover te hebben. Leerlingen moeten leren verantwoordelijkheid te nemen over wat ze zeggen en als ze dat kunnen, dan doet wat mij betreft de inhoud er niet toe.

Van mij mag alles gezegd worden, zolang we er samen over kunnen praten en kunnen ontleden wat er achter een bepaalde opvatting schuilgaat. Alleen maar zeggen: ‘dit is gewoon wat ik vind’ is dus nooit genoeg. Als je een bepaald standpunt inneemt, bijvoorbeeld dat je tegen homoseksualiteit bent, dan zal je verantwoording moeten afleggen op basis van iets wat we met zijn allen kunnen testen. Hier komt het socratisch gesprek om de hoek kijken. Je zet een onderwerp neer en dat onderzoek je met elkaar. Niet op basis van alleen je eigen ervaring, want ik kan niet onderzoeken hoe jij dat hebt ervaren. Je doet uitspraken en op basis daarvan bepaal je met elkaar of dat logisch is of niet, waar of onwaar. Met elkaar kunnen we dat testen in een wereld die we samen delen. Want die gedeelde wereld, moeten we met elkaar zien vorm te geven.”

ZEGGEN: ‘DAT VIND IK GEWOON’ IS NOOIT GENOEG

Kun je uitleggen wat je zou doen als een leerling op een bepaalde opvatting reageert met ‘dit is gewoon mijn mening’?
“Afhankelijk van de leerling kun je reageren met: ‘Nou, dat vind ik een hele domme opmerking.’ Zodra die leerling daar dan op reageert, zeg je: ‘Ja, maar dat is gewoon mijn mening. Goed gesprek hebben we, hè?’ Of je zegt: ‘Ik vind jouw moeder een hoer, dat vind ik gewoon. Leuk gesprek, moeten we vaker doen!’

We willen zo graag dat onze kinderen een mening vormen, terwijl het soms beter is als je helemaal nog geen mening hebt. Als je even een stapje terugzet en kunt kijken naar wat er nu eigenlijk gebeurt. Dat gaat niet vanzelf, daar moeten leerlingen in getraind worden.”

Hoe zie je filosofieonderwijs in het vmbo voor je?
“Filosofie kan best een invulling van burgerschap zijn. Een reeks filosofielessen bij maatschappijleer bijvoorbeeld. Filosofie hoeft niet per se een los vak te worden in het vmbo, er zou binnen verschillende vakken aandacht aan besteed kunnen worden. Ik zie filosofie en leren denken meer als een opdracht, zoals je ook kinderen sociale vaardigheden leert. Het gaat erom dat kinderen meer bedachtzaam het onderwijs verlaten. En niet alleen maar vol met kennis. Liever allebei. Kunnen denken is zo belangrijk.”

Je beschrijft jezelf op LinkedIn als horzel. Zouden er volgens jou meer ‘horzels’ rond moeten lopen in de samenleving? Mensen die steken, die bevragen, niet alles aannemen, die filosofisch zeiken?
“Ik heb daar eigenlijk nooit zo goed over nagedacht. Interessant is het wel. Op LinkedIn vind ik het erg leuk om voor horzel te spelen. Tegen mijn leerlingen zeg ik vaak ‘Op LinkedIn zei ik laatst…’ Dat is nu echt een running gag geworden. Laatst had ik op LinkedIn een discussie met de organisatoren van de black achievement month, waarin allerlei zwarte sleutelfiguren uit het verleden onder de aandacht worden gebracht bij een breed publiek. Ik vroeg: ‘Wanneer is iemand volgens jullie zwart? Zijn mijn zoons zwart met een Surinaamse moeder en een witte vader? Wat verstaan jullie precies onder zwart?’ Ik begrijp de hele beweging heel goed en heb respect voor de dingen die zij organiseren, maar ik wil dat er wordt nagedacht over hoe je dingen inkadert. Als ze er niet uitkomen, is dat niet erg, als ze maar die denkruimte pakken.

ALS WE ALLEMAAL HORZELS WAREN, ZOU DAT DOODVERMOEIEND ZIJN.

Ik denk dat iedere organisatie wel een horzel kan gebruiken maar ik zou niet durven zeggen of het er meer moeten zijn. Een vriend van mij is een nog grotere filosofische zeikerd dan ik en bevraagt echt alles. Dan denk ik wel eens: je hoeft niet alles te bevragen, soms wil ik ook gewoon even iets zeggen. Als we allemaal horzels waren, zou dat doodvermoeiend zijn. Het gaat om een mix van mensen. Mensen die prikkelen, mensen met een sterke mening, mensen die overal aan twijfelen en mensen die irriteren. We hebben ze allemaal nodig.”


Niks gaat boven de liefde van een grootouder voor zijn of haar kleinkind

Mijn oma en ik staan in de keuken terwijl ik de tafeldek en mijn oma de zalm zo goed mogelijk probeert te bereiden. Het kruidenmengsel met fijngesneden dille, peterselie en bieslook heeft ze zojuist door de olijfolie geroerd en ze voegt er nog wat citroensap aan toe. De zalm bakt ze in een hete pan in een paar minuten op halfhoog vuur, waarna ze met veel zorgvuldigheid het stukje vis omdraait en de geur mijn neusgaten vult.

Liefde komt van beide kanten
Ik denk dat ik een jaar of 13 ben en luister naar de verhalen die mijn oma vertelt over het bereiden van vis. Ze knipoogt als ze haar verhaal afsluit met: ‘Meisje, neem van mij aan: liefde gaat altijd door de maag en niet alleen bij de man’. Ze lacht terwijl ik haar niet zo goed begrijp. Toch besef ik dat deze vrouw niet alleen heerlijk met mij kan eten, praten en lachen maar dat we samen zoveel meer zijn dan dat. De liefde komt niet meer onvoorwaardelijk van één kant. We groeien naar elkaar toe en onze verhouding wordt gelijkwaardiger.

Ik hou veel meer van jou en ik kan dat weten
We gaan aan tafel zitten en mijn oma schept de krieltjes op mijn bord. Dan schuift ze voorzichtig de zalm ernaast. In een opwelling vertel ik haar hoeveel ik van haar houd. Ze antwoordt: ‘Ik hou veel meer van jou en ik kan dat weten’. ‘Onzin’, vertel ik haar. ‘Jij weet helemaal niet wat ik voel, dus weet je ook niet of jij meer van mij houdt dan ik van jou. Misschien barst ik wel van de liefde en heb jij dat gevoel nog nooit gekend.’

‘Niks gaat boven de liefde van een grootouder voor zijn of haar kleinkind,’ zegt ze met volle mond. (Mijn oma heeft nu eenmaal de rare gewoonte om met volle mond te praten. Geen kind of kleinkind kan haar heropvoeden als het gaat om tafelmanieren.)

Een gesprek van oma tot kleinkind
‘Niks gaat boven de liefde van een kleinkind voor haar oma’, begin ik nu verontwaardigd en licht gepikeerd. Ze haalt haar schouders op. ‘Wacht maar af.’ En dat zal ik doen. Waarschijnlijk nog een jaar of 45. Ik neem een hap en op één punt heeft mijn oma in ieder geval gelijk: liefde gaat door de maag. ‘Niks gaat boven de liefde van mij voor jou,’ zeg ik expres met volle mond.


Wat voor type reiziger ben jij? Reis je meer met gevoel of met je verstand?

Reizen we om onszelf te vinden, als puur vermaak of willen we er ook echt iets van leren? Is reizen eigenlijk een zoektocht naar je ware zelf of heeft het vooral als doel kennis te vergaren? Nog niet zo heel lang geleden waren er twee grote stromingen actief in Europa met een totaal verschillende visie. Deze visie herkennen we vandaag de dag nog steeds in onze eigen idealen en gedachten.

Nog geen 300 jaar geleden moest er tijdens het reizen kennis opgedaan worden. Het gebruik van de rede en daarmee het kennistijdperk laat haar eerste sporen na aan het eind van de 17e eeuw. Het was het begin van wat we nu ook wel ‘De Verlichting’ noemen.

De Romantiek zette zich af tegen de Verlichtingsidealen en liet meer ruimte voor het gevoel en de emotie. Reis in deze blog mee terug naar het tijdperk van de Verlichting en de Romantiek en ontdek wat voor type reiziger jij bent!

De verlichtingsreiziger
1. De verlichtingsreiziger reist met een doel
“Het mooie Zuid-Engeland wacht! Je hebt je goed voorbereid en ingelezen, op ViaElla.nl kwam je een mooie inspiratiegids tegen en je hebt al helemaal een idee wat je wilt gaan ondernemen. Reizen beschouw je als een tijd van leermoment na leermoment.”

De verlichtingsreiziger is een cultuursnuiver, leergierig en geïnteresseerd in wat er om haar (of hem) heen gebeurt. Als ze de Cotswolds wilt ontdekken, verwondert ze zich niet alleen over de idyllische cottages en prachtige gele gevels, maar ze drinkt ook een lokaal biertje met een local en verdiept zich in de geschiedenis van de historische kastelen en eclectische landhuizen die het zuiden van Engeland zo typeert. Niet het reizen zelf is het doel, maar de bestemming.

2. De verlichtingsreiziger gebruikt zijn verstand
De Verlichting was een cultureel-filosofische stroming waarbij er ruwweg rond de 18e eeuw een verandering in het denken plaatsvond. Vóór deze tijd bepaalde godsdienst de manier van denken en was het geloof het centrale punt in ieders bestaan. Rond 1650 verschoof dit centrale punt van godsdienst naar kennis. Dankzij kennis zou alles beheersbaar worden en met behulp van de ratio (de rede, het verstand) zou men de waarheid vinden.

Je reisde dan ook slechts met een doel. Het ontdekken van nieuwe plekken, het rondtrekken als handelaar of het leren van andere volkeren stond centraal. Reizen was lang niet zo makkelijk als nu, maar ook op dit moment zijn er veel reizigers die maandenlang één land (of soms zelfs dorp) willen ontdekken. Of die de geschiedenis van een bepaalde streek niet oppervlakkig willen kennen, maar zich er echt in vastbijten.

3. De verlichtingsreiziger zoekt naar ‘praktisch nut’
Een belangrijk verlichtingsideaal is dat alles ‘praktisch nut’ moet hebben. De verlichtingsreiziger heeft dan ook, als ze thuis is en terugkijkt op haar reis, het gevoel dat de reis ‘nut’ heeft gehad.

De romantische reiziger
1. De romantische reiziger maakt een reis naar binnen
“Stel je eens voor: je kijkt op de klok en de laatste minuut van je werkdag is ingegaan. Je ruimt alvast je spullen op, pakt je jas van de kapstok en zegt je collega’s gedag. Je vakantie is begonnen! Eindelijk is de tijd daar om voor even te ontsnappen aan de alledaagse sleur en aan de maatschappij waar je in leeft.”

De romantische reiziger verzet zich tegen bestaande normen en gaat vooral op reis om ‘zichzelf’ te vinden. Door weg te gaan, maakt ze een reis naar binnen. Tijdens een prachtige wandeling in Zuid-Engeland langs het geliefde South West Coast Path, komt ze met elke stap dichter bij zichzelf. Opzoek naar ultieme vrijheid, is bij de romantische reiziger de weg belangrijker dan het doel.

2. De romantische reiziger hecht waarde aan emotie en intuïtie
De Romantiek was eind 18e eeuw voornamelijk een tegenreactie op de Verlichting. Met het wetenschapsdenken en het rationele brein dat de overhand had genomen, nam de Romantiek de subjectieve ervaring (intuïtie, emotie, spontaniteit, kunst en verbeelding) als uitgangspunt. Die subjectieve ervaring kwam altijd van het individu, waardoor het individualisme een enorme groei doormaakte.

De romantische reiziger trekt er dan ook graag alleen op uit. Niet alleen om dichter bij zichzelf te komen, maar ook om zich volledig onder te dompelen in een andere wereld.

3. De romantische reiziger wilt terug naar de natuur
Romantici wilden het liefst terug naar de oorspronkelijke, ongerepte natuur. Naar de onaangetaste landschappen van vóór de Industriële Revolutie. Het liefst ervaart de romantische reiziger een intense vrijheid in immense natuurgebieden met afwezigheid van de eigen soort.

Er is een continue gedachten dat vroeger alles beter was. Dat verlangen naar vroeger en naar een vrijheid die er misschien wel nooit was, gaat diep en heeft een mystiek en religieus element in zich. Niet voor niets worden er op dit moment enorm veel spirituele, filosofische en mystieke groepsreizen aangeboden om dit verlangen (deels) te vervullen. Het geluk wordt gezocht in de geest, de fantasie, de mystiek. Een vlucht voor het intense lijden dat de rauwe eigentijdse werkelijkheid teweegbrengt.

En nu?
Vandaag de dag hebben wij nog steeds te maken met sterke verlichtingsidealen of juist met het verzet van de romantici tegen deze waarden. Interessant daarbij is te kijken naar onszelf in deze tijd.

Hoe ben jij gevormd en gekneed door deze twee stromingen? Ben je door elkaar gehusseld en een combinatie van beide? Of hang je sterk naar één kant? Misschien nog wel interessanter: Herken je periodes in je leven waarbij je meer een romantische denker was terwijl je nu meer neigt naar het verlichtingsdenken?

Bewustwording door middel van reizen
Reizen is een bijzondere manier om je bewust te zijn van je eigen gedrag en handelingen. Om kennis op te doen, locals te ontmoeten en cultuur te ‘snuiven’ maar zeker ook om op te laden, over jezelf na te denken en te genieten van kunst en mystiek.

Of om simpelweg urenlang op een bankje te zitten met de steile krijtrotsen van Dover voor je, die uittorenen boven de woeste blauwe zee, met witte schuimkoppen die onuitputtelijk hun krachten tonen. De zon die je langzaam ziet verdwijnen in zee. Niet omdat het moet, maar omdat zowel de ervaring als de kennis zo prachtig in elkaar lijken te schuiven tijdens een bijzonder mooie reis.


Herinneringen – wat geef je ze mee?

Dit artikel heb ik geschreven voor www.opanoma.nl

Sommige mensen vragen zich af waarom we zouden terugkijken naar het verleden, als de toekomst nog komen gaat. Is het heden of de toekomst niet veel belangrijker dan het verleden? Als opa of oma weet je hoe belangrijk de herinnering is. En ook de herinneringen die ontstaan bij je kleinkinderen. Niet naar het verleden willen kijken, is ontkennen dat je als mens gevormd en gemaakt bent door de tijd waarin je hebt geleefd. Hoe mooi zou het zijn om herinneringen mee te kunnen geven aan dat prachtige wondertje dat nu om een koekje vraagt? ‘Alsjeeeeblieefft, allerliefst oma van de hele wereld?’

Misschien heb je het al ontdekt bij je kleinkind, maar het geheugen van kinderen is vaak een stuk beter dan dat van ons. Als kleuter kan je kleinkind nog vaak verhalen oprakelen uit zijn peutertijd. Helaas komt er een moment waarop herinneringen van kinderen ‘overschreven’ worden door nieuwe herinneringen. Dit gaat door totdat ze een jaar of 10 zijn. Vanaf dat moment zijn bepaalde herinneringen blijvend.

Het verleden levend houden
Wat kun je als opa of oma zelf doen om het verleden levend te houden? Om je kleinkinderen meer te laten herinneren van de tijd die ze samen met jou hebben doorgebracht? Hieronder een aantal tips:

1. Verhalen vertellen
Door verhalen te vertellen en herinneringen op te halen, houd je het verleden levend. Kinderen zijn dol op verhalen. Vooral als het gaat om verhalen die over henzelf gaan van toen ze nog baby of peuter waren.

2. De kracht van herhaling
Door meerdere keren naar de speeltuin te gaan of vaker hetzelfde verhaal te vertellen, treed de kracht van herhaling in werking. Eigenlijk is het idee heel simpel: Hoe vaker iets herhaald wordt, hoe groter de kans dat het blijft hangen.

3. Het geschreven woord
Voor de oma’s of opa’s die gek zijn van schrijven en knutselen: houd een schriftje bij met gekke uitspraken (prietpraat), leuke uitjes en plak foto’s of leuke knipsels in. Het uiteindelijke resultaat is een verhalenbundel die een leven lang plezier biedt, vol inspiratie, herinneringen en liefde.

En dan het allerbelangrijkste:
Om de zeer bekende filosoof Schopenhauer te parafraseren:

‘We betreuren het dat niet alles (wat we met onze kleinkinderen doen) een permanente afdruk achterlaat maar het is geruststellend om te weten dat de mentale indruk die het heeft gemaakt, voordat het wordt vergeten de geest vormt en voedt, nog voordat het naar de achtergrond verdwijnt en niet meer direct (als herinnering) opgehaald kan worden.’

Dat je kleinkinderen alles herinneren wat jij met ze onderneemt, is onmogelijk. Maar waarom zouden we dat willen? Misschien is de herinnering wel helemaal niet zo belangrijk. Is het niet van grotere betekenis dat je met je kleinkind lacht, speelt, naar haar luistert of hem troost en daarmee bijdraagt aan haar vorming en aan zijn geluk?

Trots op jezelf
Ben je trots op je kleinkind? Wees dan trots op jezelf. Want dankzij jouw onvoorwaardelijke liefde en steun is dat kleine dappere mannetje, uitgegroeid tot een prachtige jongvolwassen man. Gevormd door veel gebeurtenissen die hij zich niet meer kan herinneren, maar die hem wel hebben gemaakt zoals die nu is.


Kinderen leren volwassenen kijken, niet andersom

Dit artikel heb ik geschreven voor www.opanoma.nl

Ik sta op het schoolplein want ik heb zogeheten pleinwacht. De kinderen gebruiken dit half uur duidelijk om uit te razen. Ze rennen, springen en schreeuwen door elkaar, een meisje valt en een jongen helpt haar omhoog. Eva komt aanlopen en pakt mijn hand: ‘Juf, juf! Kom eens kijken. Wat ontzettend bijzonder niet?’ Ze wijst naar het klimrek en rechtsboven in de hoek is een spin bijna klaar met het spannen van zijn web.

Een regenboog van kleuren
Een lichtstraal valt precies door het web heen en weerkaatst het licht waardoor onze ogen verschillende kleuren waarnemen. Zoals de ogen van Eva glimmen, zo krijgen mijn ogen voor even dezelfde glans. Mijn mondhoeken gaan omhoog en ik verwonder mij net zo over dit mooie tafereel als de kleine Eva van 6. Ik moet denken aan Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). De Franse filosoof stelde dat kinderen niet worden belemmerd door vooringenomen kennis en daardoor de wereld aanschouwen met een ‘ongecorrumpeerde blik’. Het jonge kind kijkt onbevangen de wereld in met een fascinatie voor het onbekende, het kleine en gedetailleerde. Zoals Rousseau het treffend verwoordde: ‘Kinderen leren volwassenen kijken, niet andersom.

Filosoferen kun je leren
Ik luid de bel en alle kinderen verzamelen zich voor de ingang van de school. Het is tijd voor mijn filosofieles voor groep 3/4. De redeneringen van kinderen zijn vaak origineel, verrassend, ontroerend, creatief en bijzonder. Ze leren beter naar elkaar te luisteren, vragen aan elkaar te stellen, onder woorden te brengen wat ze denken, hun eigen ideeën te uiten, hun mening te formuleren en hun mondelinge taalvaardigheid groeit.

Heeft alles een voor- of achterkant?
Na driekwartier les te hebben gegeven, gaan we samen met de klas het gesprek aan over de volgende vraag: ‘Heeft alles een voor- of achterkant?’

Vincent, een wijs mannetje met een bril, probeert een antwoord te formuleren: ‘Ik denk dat niet alles een voor- of achterkant heeft. Sommige woorden kunnen dat niet hebben. Zoals ‘het leven’.’ En terwijl hij dit zegt, hoor ik zijn hersens kraken. Hij kijkt bedenkelijk, knijpt zijn ogen tot spleetjes en zegt: ‘Ja, natuurlijk kun je zeggen dat het leven een voorkant heeft want we worden geboren en dat zou dan de voorkant kunnen zijn. Maar de dood is toch geen achterkant? Daar zijn andere woorden voor. Juf, sommige dingen hebben geen voor- of achterkant.’

7 jaar en ik wil spontaan in mijn handen klappen van geluk. Ik beheers me. Het is moeilijk om een gesprek niet te sturen, geen goedkeuring te geven, niet eens te knikken om te laten zien dat je het met ze eens bent. Als filosofiejuf sta ik niet met mijn vingertje te wijzen, geef ik niet mijn eigen mening en probeer ik zo min mogelijk het gesprek te sturen.

Een tweede reactie
Fenna, een meisje dat geen blad voor de mond neemt, kwam met het antwoord dat bomen geen voor- of achterkant hebben. Olivia reageerde daarop met: ‘Maar Fenna, als jij voor een boom staat, dan is de kant waar jij tegenaan kijkt toch de voorkant? En als je dan een half rondje om de boom loopt, dan is dat opnieuw de voorkant! Zowel de voor- als achterkant wisselt dus steeds bij de boom!

Het is even stil en dan vraag ik aan Olivia: ‘Heeft een boom dus geen achterkant?’ Olivia zucht en draait met haar ogen zoals alleen jonge kinderen dat kunnen zonder arrogantie of ergernis op te roepen. ‘Ja, natuurlijk wel. Alleen die zullen we nooit kunnen zien.’

Voor even ben ik beduusd. Maar dat gevoel maakt al snel plaats voor verwondering. Wat is het bijzonder om met jonge kinderen te praten en van ze te kunnen leren. Hoe de ogen van een achtjarige de wereld rondspeuren opzoek naar eigen wijsheid en logica.

Opgesloten in een doos maar niet vastgeroest
Als volwassenen zitten we al vast in een doos, een kader van waaruit we moeten denken. En natuurlijk, die doos kan enorm groot zijn, maar uit die doos stappen kunnen we nooit meer. Het is ons referentiekader; het zijn onze herinneringen, gedachten, denkpatronen.

Mijn doos heeft aan de voorkant (als die voorkant al bestaat) een rond gaatje. Als ik daar doorheen gluur op dagen zoals deze, dan vang ik een glimp op van de onwetendheid, de onbevangenheid en de verwondering die kinderen zo kenmerkt. Het helpt mij om mijn doos af en toe te kunnen draaien, te kunnen verplaatsen. Zodat het niet vastroest en omdat ik weet: Kinderen leren volwassenen kijken, niet andersom.


Op reis leren we kijken

Dit artikel heb ik geschreven voor www.viaella.nl

Zuid-Engeland: Een plek bestaande uit glooiende heuvels, weelderige tuinen en pittoreske dorpjes. Samen met je partner kom je na een korte vlucht aan op het vliegveld waar een taxi jullie staat op te wachten. Onderweg kom je langs een groots en imposant landhuis met drie prachtige tuinen en eenmaal bij jullie optrekje vallen de goudgele zandstenen direct op.

Het huisje waar jullie in slapen, met een grote groene deur aan de voorkant, wordt via de binnenkant op de ouderwetse manier vergrendeld. Direct vallen de details je in het oog: Het kleine spiegeltje vol glinsterende diamantjes, het beetje stof in de hoek van de kamer en natuurlijk het zorgvuldig bewerkte houten voetenkastje naast de deur.

Aandachtig ontdekken
Op reis leren we kijken. We leren bewuster leven. Voor even sturen we ook onze automatische piloot op vakantie en openen daarmee letterlijk onze ogen. In bijvoorbeeld de romantische tuin van Bowood House, wandel je door een poort van blauweregen om dat ene verloren madeliefje tussen de rododendrons, magnolia’s en tulpen te zien staan. Omdat je meer open staat voor details, zie je meer en vallen daarmee dingen op die je anders over het hoofd zou hebben gezien.

Het leren kijken op reis, verleren we daarentegen snel als we weer thuis zijn. Het maakt dat de herinnering aan de reis uiteindelijk nog een stukje specialer en mooier wordt. Want waar aandacht gericht gefocust en gestuurd wordt, wordt er meer waargenomen en herinnerd. Ook al klinkt het misschien nog zo logisch: Aandachtig één voorwerp, dorpje, kasteel of schilderij bekijken, laat je meer ‘ervaren’ en ‘zien’ dan dat je van hot naar her racet om je ‘lijst met verwachtingen’ af te vinken.

Het kleine
Het kleine, gedetailleerde en authentieke wordt zichtbaar op reis. Maar alleen als de ogen geopend zijn. Zo vraagt denker Friedrich Nietzsche (1844-1900) zich af hoeveel mensen er niet door onze steden lopen zonder daadwerkelijk iets te zien. Hoeveel toeristen bezoeken de Eiffeltoren, het Colosseum of de Big Ben niet slechts omdat dat ‘hoort’ als je op de aangewezen plek bent?

Wij raden aan om af en toe wat langer op één plek te blijven. Om de haast te verliezen, de rust op te zoeken en te leren van een grote groep experts op dit gebied. Zij verwonderen zich over groot en klein, licht en geluid, kleur en textuur, gevoelens en gedrag. Maar ook zij komen in aanraking met de vanzelfsprekendheid die hoort bij het ouder worden.

Kinderen zijn professionals in verwonderen en op reis kruipen we voor even in hun huid. Om met grote ogen en ingehouden enthousiasme rond te lopen over smalle geplaveide straatjes, oude voorgevels en monumentale herenhuizen te ontdekken en uiteindelijk de dag te eindigen met de voeten in het warme zachte zand.


Ik wil gewoon kunnen praten, maar ik heb daar altijd taal voor nodig

Hoe taal allesbepalend is

Taal vormt ons en tegelijkertijd maken en vormen wij taal. Met mijn vriend Kevin stuit ik regelmatig op van die taalproblemen. Hij heeft aan een half woord genoeg, weet dat ik het niet racistisch bedoel als ik neger of zwarte zeg. Hij snapt het als ik iets probeer te zeggen over buitenlanders terwijl ik het heb over mensen die in Nederland geboren zijn.

Niet-westerlingen, verbeter ik mezelf dan. Nee, met een niet-westerse-achtergrond. Maar ook dat voelt alsof ik ze in een hokje stop. Je hoort er niet bij. Niet bij ‘ons’. Wat dat ‘ons’ dan ook mag zijn. Ik probeer het nogmaals: Mensen-met-een-niet-westerse-achtergrond-maar-wel-in-Nederland-geboren.

De inhoud van het het gesprek vervaagt, de betekenis doet er niet meer toe. Enkel interpretatie blijft over. Het maakt een gesprek lastig. Juist omdat ik een open gesprek wil voeren. Maar hoe kunnen we blijven praten met elkaar als losse woorden al zoveel interpretatie oproepen?

Neger, zwarte, niet-blanken

Voor mij is neger nooit een negatief woord geweest dus gebruikte ik het regelmatig. Kevin vindt dat een verschrikkelijk woord, het woord verwijst volgens hem naar de tijd van de slavernij. Een tijd waar wij, als witten of blanken, niet trots op mogen zijn. Ik schrok daarvan, mij niet bewust van het onbewust kwetsen dat ik deed met het woord neger. Ik verontschuldigde mezelf, vroeg hem welk woord zijn voorkeur had. Ik vroeg hem: Donkere mensen? Zwarte? Mensen-met-een-andere-huidskleur-dan-wij? Niet-blanken? Ineens klonk alles onprettig. Hij wist het niet. Ik wist het niet.

Kevin en ik snappen elkaars interpretatie, elkaars houding en gedachten. Wij begrijpen elkaars taal. Maar in gesprekken met anderen vind ik het moeilijk woorden te vinden zonder bepaalde indrukken te wekken, voorkeuren naar voren te laten komen en een gevoel daarbij op te roepen.

Voor de mensen die nu denken dat iedereen gelijk is, huidskleur er niet toe doet, je achtergrond ook niet en we ons niet zo druk moeten maken om ‘het naampje’, ontkennen de problematiek die er al zoveel jaren heerst. We moeten kunnen praten. Je kop in het zand steken is gevaarlijk. We hebben open communicatie nodig, we hebben taal nodig om tot elkaar door te dringen, om niet gelijk naar machinegeweren te graaien en ook niet gelijk te schreeuwen dat iedereen moet optyfen naar zijn eigen land.

MGBW'er

Ik wil gewoon kunnen praten. Ik wil over negers, zwarte, niet-westerlingen, blanken, witte en mensen-met-een-niet-westerse-achtergrond kunnen praten omdat dat nodig is. We hebben meer dan ooit de juiste woorden nodig voor het kunnen uitdrukken van wat we bedoelen. Maar taal verandert. Als ik nu een woord bedenk: MGBW’er (Mensen-die-hier-Geboren-zijn-maar-niet-Blank-en-ik-daar-niks-mee-bedoel-maar-wel-een-Woord-nodig-heb-om-te-communiceren) dan is MGBW’er binnen 20 jaar, en misschien in deze tijd binnen 5 jaar, een enorm beladen woord.

Mijn klasgenoot is een MGBW’er. (God, wat klinkt dit fout) en ik heb hem nooit durven vragen waar zijn ‘roots’ ligt. Bang om hem voor zijn hoofd te stoten. Bang om hem het gevoel te geven dat hij geen ‘echte’ Nederlander is met zijn kleurtje. Taal is complex maar wel ons enige redmiddel. Want doen alsof het er niet is, maakt het probleem groter, meer beladen en geeft meer ruimte aan kringen waarin ik me liever niet begeef.

Het kwartje gaat eindelijk rollen

Het is belangrijk dat er in debatten en discussies ruimte is om woorden te ontleden. En ineens valt daar het kwartje. Het kwartje dat al lang had moeten vallen bij vakken als Filosofische Vaardigheden of Taalfilosofie. Maar soms heb ik wat langer de tijd nodig. Want tijdens belangrijke gesprekken en discussies met filosofen (bijvoorbeeld tijdens Socratische gesprekken: een bepaalde gespreksvorm waarbij je probeert tot ware kennis te komen, wat dat dan ook mag zijn) is het ontzettend belangrijk eerst te weten wat er precies wordt bedoeld met bepaalde begrippen.

Filosofen krijgen vaak genoeg te horen dat ze vooral bezig zijn met taalspelletjes en dat de realiteit aan hen voorbij gaat. Dit omdat je als filosoof altijd eerst de vraag stelt: Wat bedoel je precies met buitenlander? Wat is voor jou vertrouwen? Kunnen we eerst definiëren wat we bedoelen met het woord identiteit voordat we gaan praten over ‘verlies van de Nederlandse identiteit’? En nee, we hoeven niet het woordenboek erbij te pakken. Het gaat erom dat je samen overlegt wat we in dit gesprek bedoelen met identiteit, vertrouwen, verlies, buitenlander, etc.

Niet toereikend

Als ik las dat filosofen 3 uur de tijd nodig hadden om te discussiëren over welke woorden ze zouden gebruiken, wat die woorden precies betekende en de begrippen helemaal hadden uitgewerkt, zuchtte ik diep. Dat is iets voor intellectuelen, voor grote breinen, universitaire geleerden, bekende namen maar niet iets voor mij. Toch is het kwartje gaan rollen.

Door te ontdekken dat taal prima is, een heel belangrijk communicatiemiddel maar niet alles omvat. Omdat taal zo ontzettend veel tekortkomingen kent. Door vooral te luisteren naar gesprekken tussen klasgenoten, mensen op verjaardagen en de debatten in de Tweede Kamer kom ik steeds meer tot de conclusie dat taal niet toereikend is. We praten met begrippen waarvan we niet weten wat de ander daaronder verstaat. Kevin en ik maken ruzie omdat dat ene woord verkeerd valt. Na een goed gesprek schieten we beide in de lach. Serieus? We interpreteerde één woord beide verschillend en dat mondt uit in een discussie, in een miscommunicatie?

1000 woorden

1000 woorden heb ik nu gebruikt om te vertellen dat taal vele vormen van interpretatieproblemen en tekortkomingen kent. En nog heb ik mijn punt niet kunnen maken omdat ik taal daarvoor nodig had.

Hoe taal allesbepalend is

Taal vormt ons en tegelijkertijd maken en vormen wij taal. Met Kevin stuit ik regelmatig op van die taalproblemen. Hij heeft aan een half woord genoeg, weet dat ik het niet racistisch bedoel als ik neger of zwarte zeg. Hij snapt het als ik iets probeer te zeggen over buitenlanders terwijl ik het heb over mensen die in Nederland geboren zijn.

Niet-westerlingen, verbeter ik mezelf dan. Nee, met een niet-westerse-achtergrond. Maar ook dat voelt alsof ik ze in een hokje stop. Je hoort er niet bij. Niet bij ‘ons’. Wat dat ‘ons’ dan ook mag zijn. Ik probeer het nogmaals: Mensen-met-een-niet-westerse-achtergrond-maar-wel-in-Nederland-geboren.

”Alsof je wilt zeggen: Ze horen er niet bij”

De inhoud van het het gesprek vervaagt, de betekenis doet er niet meer toe. Enkel interpretatie blijft over. Het maakt een gesprek lastig. Juist omdat ik een open gesprek wil voeren. Maar hoe kunnen we blijven praten met elkaar als losse woorden al zoveel interpretatie oproepen?

Neger, zwarte, niet-blanken

Voor mij is neger nooit een negatief woord geweest dus gebruikte ik het regelmatig. Kevin vindt dat een verschrikkelijk woord, het woord verwijst volgens hem naar de tijd van de slavernij. Een tijd waar wij, als witte of blanken, niet trots op mogen zijn.

Ik schrok daarvan, mij niet bewust van het onbewust kwetsen dat ik deed met het woord neger. Ik verontschuldigde mezelf, vroeg hem welk woord zijn voorkeur had. Ik vroeg hem: Donkere mensen? Zwarte? Mensen-met-een-andere-huidskleur-dan-wij? Niet-blanken? Ineens klonk alles onprettig. Hij wist het niet. Ik wist het niet.

Kevin en ik snappen elkaars interpretatie, elkaars houding en gedachten. Wij begrijpen elkaars taal. Maar in gesprekken met anderen vind ik het moeilijk woorden te vinden zonder bepaalde indrukken te wekken, voorkeuren naar voren te laten komen en een gevoel daarbij op te roepen.

Voor de mensen die nu denken dat iedereen gelijk is, huidskleur er niet toe doet, je achtergrond ook niet en we ons niet zo druk moeten maken om ‘het naampje’, ontkennen de problematiek die er al zoveel jaren heerst. We moeten kunnen praten. Je kop in het zand steken is gevaarlijk. We hebben open communicatie nodig, we hebben taal nodig om tot elkaar door te dringen, om niet gelijk naar machinegeweren te graaien en ook niet gelijk te schreeuwen dat iedereen moet optyfen naar zijn eigen land.

”Kevin en ik begrijpen elkaars taal”

MGBW'er

Ik wil gewoon kunnen praten. Ik wil over negers, zwarte, niet-westerlingen, blanken, witte en mensen-met-een-niet-westerse-achtergrond kunnen praten omdat dat nodig is. We hebben meer dan ooit de juiste woorden nodig voor het kunnen uitdrukken van wat we bedoelen. Maar taal verandert.

Als ik nu een woord bedenk: MGBW’er (Mensen-die-hier-Geboren-zijn-maar-niet-Blank-en-ik-daar-niks-mee-bedoel-maar-wel-een-Woord-nodig-heb-om-te-communiceren) dan is MGBW’er binnen 20 jaar, en misschien in deze tijd binnen 5 jaar, een enorm beladen woord.

Mijn klasgenoot is een MGBW’er. (God, wat klinkt dit fout) en ik heb hem nooit durven vragen waar zijn ‘roots’ ligt. Bang om hem voor zijn hoofd te stoten. Bang om hem het gevoel te geven dat hij geen ‘echte’ Nederlander is met zijn kleurtje. Taal is complex maar wel ons enige redmiddel. Want doen alsof het er niet is, maakt het probleem groter, meer beladen en geeft meer ruimte aan kringen waarin ik me liever niet begeef.

Het kwartje gaat eindelijk rollen

Het is belangrijk dat er in debatten en discussies ruimte is om woorden te ontleden. En ineens valt daar het kwartje. Het kwartje dat al lang had moeten vallen bij vakken als Filosofische Vaardigheden of Taalfilosofie.

Maar soms heb ik wat langer de tijd nodig. Want tijdens belangrijke gesprekken en discussies met filosofen (bijvoorbeeld tijdens Socratische gesprekken: een bepaalde gespreksvorm waarbij je probeert tot ware kennis te komen, wat dat dan ook mag zijn) is het ontzettend belangrijk eerst te weten wat er precies wordt bedoeld met bepaalde begrippen.

Filosofen krijgen vaak genoeg te horen dat ze vooral bezig zijn met taalspelletjes en dat de realiteit aan hen voorbij gaat. Dit omdat je als filosoof altijd eerst de vraag stelt: Wat bedoel je precies met buitenlander? Wat is voor jou vertrouwen? Kunnen we eerst definiëren wat we bedoelen met het woord identiteit voordat we gaan praten over ‘verlies van de Nederlandse identiteit’? En nee, we hoeven niet het woordenboek erbij te pakken. Het gaat erom dat je samen overlegt wat we in dit gesprek bedoelen met identiteit, vertrouwen, verlies, buitenlander, etc.

Niet toereikend

Als ik las dat filosofen 3 uur de tijd nodig hadden om te discussiëren over welke woorden ze zouden gebruiken, wat die woorden precies betekende en de begrippen helemaal hadden uitgewerkt, zuchtte ik diep. Dat is iets voor intellectuelen, voor grote breinen, universitaire geleerde, bekende namen maar niet iets voor mij. Toch is het kwartje gaan rollen.

Door te ontdekken dat taal prima is, een heel belangrijk communicatiemiddel maar niet alles omvat. Omdat taal zo ontzettend veel tekortkomingen kent. Door vooral te luisteren naar gesprekken tussen klasgenoten, mensen op verjaardagen en de debatten in de Tweede Kamer kom ik steeds meer tot de conclusie dat taal niet toereikend is.

We praten met begrippen waarvan we niet weten wat de ander daaronder verstaat. Kevin en ik maken ruzie omdat dat ene woord verkeerd valt. Na een goed gesprek schieten we beide in de lach. Serieus? We interpreteerde één woord beide verschillend en dat mondt uit in een discussie, in een miscommunicatie?

1000 woorden

1000 woorden heb ik nu gebruikt om te vertellen dat taal vele vormen van interpretatieproblemen en tekortkomingen kent. En nog heb ik mijn punt niet kunnen maken omdat ik taal daarvoor nodig had.


Als januarikind jarig zijn in de zomer

Ik ben jarig. Jarig terwijl de zon schijnt. Misschien is het de zon, misschien het feit dat de mensen hier niet weten dat deze dame 23 is geworden, maar deze dag voelt hetzelfde als die van gister. En eergisteren.

Doorgewinterd

Op mijn verjaardag is het (voor zover ik weet) al 22 jaar koud, winderig en vroeg donker. Er is een kans dat ik daardoor serieuzer van aard ben. Zwaarmoediger misschien. Een denker, een doorgewinterde ambitieuze filosofiestudente. Omdat ik praten over eindigheid heerlijk vind, schrijven over betekenis geven aan het leven een plicht en lezen over grote intellectuelen een uitdaging.

Mijn moeder zei vroeger wel eens dat ik beren op de weg zag. Dat ik niet zo ‘zwaar op de hand’ moest zijn. Maar ik vind beren mooie wilde dieren. Heb jij ooit een grote bruine grizzlybeer op de weg gezien terwijl je in je gehuurde jeep een rondreis maakte door West-Canada? Nee eh? Ik dus wel.

Interessante, aantrekkelijke en grote grizzlyberen

Soms begreep ik die uitdrukking niet zo goed. Beren op de weg zien lijkt iets negatiefs in zich te dragen. Maar de beren die ik zag waren niet per direct gevaarlijk. Eerder groot en met een enorme aantrekkingskracht. Van nature ben ik een nieuwsgierig type en als je je jeep verlaat en uitstapt om zo’n beer aan te raken, tja.. dan doet dat soms pijn.

Die pijn kan diep gaan. Dat heb ik als 15-jarige geweten. Moeite met meedoen in een wereld waar we eigenlijk niet zo goed weten wat te doen. Moeite om mee te doen met het toneelstuk dat leven heet. Moeite omdat ik een pijn voelde in mij waar ik later in de filosofie pas woorden voor kreeg.

Het houdt mij in ieder geval niet tegen om met mensen het gesprek aan te gaan. Om taboes op tafel te gooien en de schrik van hun gezicht te lezen als ik ze wil voorstellen aan een aantal beren. Zwaarmoedigheid of beren op de weg zien is iets anders dan openstaan voor de niet uitgesproken aannames die mensen geneigd zijn te zien als waarheid.

Dat ik wil praten over pedofilie, slechts om ruimte te scheppen in iemands brein en kortzichtigheid in het denken weg te nemen, wil niet zeggen dat ik een voorstander ben van kindermisbruik. Als ik vraag waarom we (het) leven koste wat het kost moeten waarderen en leuk moeten vinden, wil dat niet zeggen dat ik depressief ben.

Een januarikind

Mijn moeder wilde een lentekind. Een meikindje. Het klonk haar goed in de oren en misschien had ik dan minder nagedacht over dingen waar mensen het eigenlijk helemaal niet over willen hebben. Wegkijken en doodgaan is makkelijker dan uit de jeep stappen, beren aaien, pijn voelen en doodgaan. Toch zou ik er zelf niet voor willen kiezen.

Hoeveel zinloosheid er ook door mij heen zal razen in dit leven, ik ben altijd gelukkiger mét mijn filosofieboek onder mijn arm dan zonder. En zeg nu zelf: zijn er heel veel mensen die in hun leven een beer hebben aangeraakt? Ik geniet er keer op keer van. De gevolgen neem ik voor lief. Ik ben en blijf toch een januarikind.


Als geld verdienen alles overheerst, ook onze relaties

Alles is te koop, ook jij
Alles kunnen we verkopen, ook mij

Mijn ukeleleleraar en ik

Het is maandagavond. Luis pakt zijn ukelele en kijkt me met een grote grijns aan: ‘Ben je er weer klaar voor?’ zegt hij met zijn Mexicaanse accent.
‘Goed geoefend?’ Ik glimlach en samen spelen en zingen we Umbrella van Rihanna.

‘When the sun shines we’ll shine together
Told you I’ll be here forever that I’ll always be your friend’

Ukelele spelen voor niks

5 maanden geleden zocht ik een ukeleleleraar. Via facebook kwam ik in contact met Luis, een Mexicaanse man die erg muzikaal is. Bij de eerste afspraak vroeg ik direct wat het ging kosten: een uur spelen per week. Hij keek me glimlachend aan en zijn vrouw schoot in de lach. ‘Niks natuurlijk. Wij vinden het hartstikke leuk om samen met jou een uur in de week ukelele te spelen!’

Huh? Ik snapte er niks van. Waarom zou je geen geld vragen als ik bereid was geld te geven? Je zou elke week een tientje kunnen vangen voor precies datgene wat je nu ‘voor de leuk’ doet. Ik begreep het niet. In mijn hoofd zat de overtuiging dat je met alles geld kunt verdienen.

Als kind krijg je al betaald voor allerlei klusjes en op mijn beurt betaalde ik voor muziekles, yogales, meditatieles, theaterles, bijles en filosofische avondjes uit. Het leven draait om geld uitgeven en geld verdienen. Waarom maakte Luis de beslissing geen geld te vragen voor zijn muziekles? Waarom zorgde hij er niet voor dat meer mensen die ukeleleles wilden volgen een groepje zouden vormen waaraan hij wat extra’s kon verdienen?

Luis leerde mij indirect de waarde van geld.

Verkoper of consument

Relaties tussen mensen onderling doen zich steeds meer voor als relaties tussen mens en koopwaar. In het kapitalisme verzakelijkt de sociale verhouding tussen mensen doordat mensen in eerste plaats verkoper of consument zijn. Jij kan goed sporten? Ik betaal je om mij persoonlijk te begeleiden. Leuk met kinderen? Misschien moet je onthaalouder worden, dan kun je er ook nog wat aan verdienen! Onderlinge relaties worden kouder doordat we bij zoveel handelingen betalen of betaald worden. Menselijke verhoudingen raken we kwijt omdat de relatie tussen mensen wordt zoals de relatie tussen dingen. We hoeven geen lichamelijk contact meer te hebben aangezien we veel via internet kunnen kopen en gaan als het moet zelfscannend de supermarkt door.

Als ik betaald had gehad voor mijn ukelelelessen, had ik nu nooit zo goed bevriend geweest met Luis. Ik had eisen en verwachtingen gehad. Ik had elke week afgewogen of mijn 10 euro het wel waard was en tijdens de lange avonden die we praatten over filosofie, had ik mezelf continu afgevraagd of ik hun tijd niet stond te verdoen. Je krijgt ukeleleles maar je moet iets terug doen, via geld betaal je je schuld af. Ik zou ze hebben afgekocht zodat er geen scheve verhouding zou ontstaan. De relatie zou verzakelijken. Ik ben immers een betalende klant, hij verkoopt mij zijn vaardigheid en tijd.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen?

Winst maken en geld verdienen stijgt uit boven onze menselijke belangen. De betekenis van het leven vervaagt als er geld verdiend kan worden. Geld is al lang geen middel meer om in je onderhoud te voorzien, zoals het ooit bedoeld was. Het is een ding dat op zichzelf staat. Het is verzelfstandigd. We willen geld verdienen om nog meer geld te hebben zonder dat we beseffen dat geld op zichzelf geen waarde kent. Geldfetisjisme. We verlangen naar het hebben van geld om het geld. Maar plaatst geld zichzelf op dit moment niet boven onze omgangsvormen, waarden en normen? Sterker nog: Staat geld niet boven sociale relaties? Als relaties tussen mensen verzakelijken omdat we elkaar in eerste instantie niet zien als sociaal dier, mens, vreemde of vriend maar als koper of verkoper, hoe komen we dan nog tot elkaar?

Luis verzet zich tegen het kapitalistische idee om overal geld mee te verdienen. Luis leerde me indirect dat geld veel kapot kan maken. Dat er niet altijd iets tegenover hoeft te staan wanneer jij je tijd besteedt en je vaardigheden leert aan anderen. ‘Dankbaarheid,’ zei hij, ‘is één van de mooiste eigenschappen van de mens’. Ik denk dat Luis onbewust weerstand bood, voor dat wat hij om zich heen zag gebeuren. Dat relaties verzakelijken op een niveau dat hem niet aanstond. Hij zou het waarschijnlijk niet op deze manier letterlijk zo hebben bedacht, maar iets in hem was in protest gekomen. In protest tegen de manier waarop we nu kijken naar andere mensen. Alsof het producten zijn. Alsof het consumenten of verkopers zijn.

Luis, zijn vrouw en ik kregen een bijzondere band. Een band die het cliché in stand houdt dat vriendschap niet te koop is. Mijn buurvrouw komt af en toe langs. Op mijn beurt leer ik haar de beginselen van het ukelelespelen. En nee, daar betaalt ze niet voor.

‘When the sun shines we’ll shine together
Told you I’ll be here forever that I’ll always be your friend’


Volwassenen rennen niet

Ik ben 22. Misschien is het hoog tijd. Hoog tijd om volwassen te worden. En volwassenen rennen niet.

Franz Josef

We staan op een camping in Franz Josef. Een dorpje vernoemd naar een gletsjer die op zijn beurt weer vernoemd is naar een keizer van Oostenrijk rond 1870. De camping is groot. Twee grote sanitaire gebouwen, rijen wasmachines en 4 keukenblokken moeten er voor zorgen dat vakantiegangers en backpackers het naar hun zin hebben. Bij de ingang staat een koelkast met ons eten, terwijl wij aan het einde van de camping staan met onze minicampervan.

Wij zijn vergeters

Mijn vriend en ik zijn vergeters (misschien bestaat dit woord niet, in dat geval heb ik het lekker zelf bedacht). En 1 vergeter in de relatie is oké, dat kunnen de meeste relaties wel aan, maar twee is geen goede combinatie. We vergeten letterlijk alles. Van onze mobiel in het toiletblok tot onze handdoek bij het douchen (waar je natuurlijk pas achterkomt als de warme stralen heerlijk je naakte huid verwennen). Van onze vuilnis achterlaten bij een dumpstation (waardoor we nog twee dagen extra met een stinkende vuilniszak in de auto moeten rondzeulen), tot chocoladepasta bij de supermarkt.

Kortom: een grote camping waarbij de faciliteiten ver uit elkaar liggen is voor ons niet super handig. Vanavond rende ik naar voren om onze paprika uit de koelkast te halen. Eenmaal in het keukenblok rende ik terug om ook de wortel uit de tas te halen. Na het eten herkende de andere reizigers de rennende debiel die nu de halve wortel en halve paprika terug kwam leggen in de koeling. Ineens werd ik mij pijnlijk bewust van mijn volwassenheid. Ik ben niet meer dat meisje van 8 dat alles huppelend kan doen. Of dat onschuldige elfjarige meisje dat de hele camping over rent en lachende gezichten in ontvangst neemt.

Doe maar niet

Mensen verdraaien bijna hun nek, schrikken op of springen aan de kant al probeer ik nog zo zachtjes op het knesperende grind te rennen. Het is niet normaal. En ook al heb ik een hekel aan dat woord, toch wil ik anderen niet tot last zijn. Hardlopen als sport of rennen voor een trein oké, maar daar houdt het volwassen rennen dan ook echt mee op. De toiletten zijn 20 meter verderop en het liefst ren ik daarheen. Niet omdat ik haast heb, noch omdat ik tijd wil besparen, gewoon omdat ik dat lekker vind.

Dus ik probeer volwassen te worden. Ik loop netjes naar het toilet, verwonder mij niet over de prachtige sterrenhemel ‘s nachts en ik ben chagrijnig als het regent. Ik doe mijn best, maar soms… heel soms als ik een jongetje van 4 in een plas zie springen en glunderend naar de hemel zie kijken terwijl het water in zijn gezicht spat, dan trek ik mijn schoenen uit en stamp met mijn blote voeten mee. Zonder dat iemand het ziet spring ik, dans ik en zing ik in de regen. En ietsje vaker ren ik gewoon naar de wc, negeer ik de blikken en ren terug. Dat is toch niet normaal. Nee, maar volwassen worden moeten we leren. Bij de één gaat dat sneller dan bij de ander. Ik gok bij mij errrrggg traag, ben ik even blij.