Komt een vrouw bij de psycholoog

Al weken loop ik met de vraag rond wat er van mij als mens overblijft in deze zieke toestand. Voor mij was deze vraag tot voor kort retorisch van aard.

Tot mijn psycholoog vroeg: ‘Dus? Wat blijft er van je over?’ Ik vond dat zo raar dat ik in de lach schoot. ‘Ik heb daar niet over nagedacht. De vraag stellen leek me voldoende en geeft mijn machteloosheid weer ten opzichte van mijn leven op dit moment.’

‘Het gaat er niet om,’ vervolgde ik mijn verhaal toen het stil bleef, ‘wat er echt van mij overblijft maar dat het begrippenkader waarbinnen ik normaal gesproken zin ervaar, is verschoven. Ik kan mijzelf niet meer als zinvol aanschouwen binnen dit kader en dat maakt dat de betekenis van mij als mens verdwenen is.’

‘Juist,’ zei de vrouw tegenover mij in haar lichtroze vrouwenpak die haar ontzettend goed stond, ‘ga maar eens nadenken over wie jij nog bent als andere mensen jou minder of niet nodig hebben en als je je eigen potentieel niet kunt benutten. Identiteitskwestie, maar ik denk dat jij genoeg gereedschap in je kist hebt zitten om daarmee aan de slag te gaan.’

Ik sprak erover met een vriend van de studie. Zonder zijn woorden was dit blog er niet geweest. Dank mijn vriend.

Een hele week later
Een week later was de sessie zeer intens. Toen mijn psycholoog de woorden sprak: ‘Ik snap dat je nu niet naar me kunt luisteren omdat je boos bent,’ kreeg ik pas door dat ik tegen haar stond te schreeuwen. Niet zoals hysterische vrouwen in jaren 80 films doen als ze met servies smijten, maar meer als een kind dat opstandig is en het gevoel heeft dat helemaal niemand haar begrijpt.

Ik dempte bij de bewustwording direct mijn stem en veegde het kwijl van mijn kin (ik ga het niet mooier maken dan het is).

Blote voeten liefde
Na afloop, wandelend langs de weilanden, was ik leeg van alle emoties en vol van nieuwe richtingaanwijzers.

Ik trok mijn schoenen en sokken uit, wandelde op mijn blote voeten verder en zag andere paden ontstaan richting ouderdom.

De snelweg zal het voor mij niet meer worden: mijn kleine, oude autootje trekt dat gewoon niet. Het blijkt gelukkig ook niet de enige weg te zijn. Misschien niet eens de leukste, al verschilt dat per auto. De mijne tuft traag voort en hapert af en toe zodat ik moet uitstappen, verplicht ben om om me heen te kijken en andere autobestuurders leer kennen op deze scenic routes. 

Kop in het zand of…?
Ik stap op een scherp steentje en maak een sprongetje op mijn linkervoet. De man die aan de overkant van het fietspad me tegemoet loopt zegt: ‘Daarom hebben ze schoenen uitgevonden.’ Ik zeg lachend: ‘Het scherpe gevoel is alweer verdwenen.’

Het liefst had ik erachteraan gezegd: ‘Het vermijden van al het ongemak is geen leven dat van mij geleefd hoeft te worden.’ Maar in het echt ben ik een stuk minder gevat dan in het geschreven woord. (Ik zei toch dat ik het niet mooier ga maken dan het is.)

Want door de pijn van vandaag weet ik wat ik ben en blijf: Een mens met een voorliefde voor de kleur groen in al dat leeft, die graag op blote voeten wandelt en liefde kan voelen in het groot voor het klein.


De dood krast in je ziel - rouw om wat niet meer is

16 jaar was ik, zo wijs als de Dalai Lama (vond ik😉 ) en nog heel veel hoge pieken en diepe dalen te gaan, voelde ik. De vrouw, die ik bij vriendinnen altijd mijn tweede mama noemde, kwam te overlijden. Anderen noemden haar mijn oma, maar voor mij dekte dat niet de lading.

Opa en oma
Iedereen had oma’s en opa’s en ja, die overlijden soms. Het leek me toentertijd een goede manier om voor het eerst met de dood in aanraking te komen. Dichtbij genoeg om te moeten rouwen en tegelijkertijd ook te ervaren dat ons leven, uiteindelijk, en het liefst zo oud mogelijk, altijd leidt tot de dood.

Maar met mijn oma was dat anders. Zij moest de uitzonderingspositie claimen. Zij mocht niet dood. Zij kon niet dood (ik had toen al een goed gevoel voor drama). En dus lag ik twee jaar voor haar dood te woelen in bed. Huilend, piekerend, angstig.

Sinterklaas, wie kent ‘m niet
Dat jaar trok ik een lootje met haar naam erop. Zo blij als een kind! Want dat was ik toen natuurlijk ook nog. Maar goed, ik maakte als surprise een mega plattegrond met allemaal eilanden waar wij samen naartoe zouden fietsen.

De kaart had een creatief eiland, aangezien mijn oma en ik iedere week samen schilder- en tekenles volgden. Het had een vakantie-eiland, aangezien mijn oma en ik ieder jaar met zijn tweetjes op vakantie gingen (Rotterdam, ’t Gooi, Terschelling, Den Haag). En natuurlijk was daar het kookeiland, zie mijn blog over de prachtige kookkunsten van mijn oma.

Tot slot was er het huil-eiland. Op dat huil-eiland bevond ik me al een tijdje, schreef ik in het gedicht. ‘Want wie was ik zonder jou: de vrouw, van wie ik zoveel hou.’ (Ja, mijn dichtkunsten waren nog niet volledig ontwikkelt oké 😉 .)

Een week later had ik een cadeautje voor haar gekocht met een kaart. Op de kaart (ik heb ‘m laatst teruggevonden) stond: ‘Omdat ik bang ben dat je doodgaat.’

Een klein jaar later bleek ze ziek. Nog een jaar later was ze dood.

Pijn
Rouw is zoiets ongrijpbaars. Het is geen keer hetzelfde en het soort pijn dat geen fysieke plek kent, kent een ander verloop. Het is geen pijn die je kan vastgrijpen zoals je op het voetbalveld met een vertrokken gezicht naar je enkel grijpt als iemand je een rotschop heeft gegeven.

Je kunt jezelf niet vastpakken, sussen, je zachte hand op de zere plek leggen. Je kunt niet strelend over de bult wrijven om jezelf te verzekeren dat het echt een behoorlijke klap is geweest. Je kunt zelfs niet even de betreffende spier of het gewricht bewegen, om te zien of de pijn er nog wel zit.

Leeg en voller dan ooit
Rouw gaat dieper het lichaam in. Het vreet al wat leeft uit dat lichaam om je aan een gevoel van leegte, onbegrip en machteloosheid over te geven. Op hetzelfde moment zit je voller dan ooit met emoties die met elkaar vechten om de aandacht.

‘Leeg en voller dan ooit.’ Die ambiguïteit is voor mij kenmerk van het leven geworden. Tijd is daarbij belangrijk. Tijd is een noodzakelijk aspect bij het herstel van pijn en dus ook bij rouw.

Leed vreet
Tijdens het rouwen ga je in gesprek met jezelf en ontdek je hoe jij reageert op tegenslag, verlies en pijn.

Je rouwt niet alleen om wat de ander voor jou betekende, je rouwt ook om het deel in jezelf dat vervlochten was met de ander en nu verdwenen is. Wie ben jij nog zonder die ander?

Na verloop van tijd ga je langzaam het leven weer in. Gelaagder dan eerst.

Rouwen is stilstand, terugkijken, emoties uiten en de herinnering leren waarderen. Met krassen op de ziel. Krassen die uiteindelijk geen krassen maar een mensenleven aan tekeningen laten zien.

Hoe ziet jouw tekening eruit?


Op weg naar geluk

Er wordt zo vaak gezegd: ‘Denk aan jezelf eh. Het is tijd om aan jezelf te denken. Denk vooral aan jezelf.’ Maar is het gemis aan betekenis, omdat we God in de steek hebben gelaten en onze zin nu ergens anders vandaan moeten halen, niet juist een reden om je meer in plaats van minder tot de ander te richten?

Het devies luidt nu: ‘Eerst aan jezelf denken’ en ergens snappen we zelf ook wel wat daarmee bedoeld wordt. Namelijk dat we pas waarde kunnen toevoegen aan andermans leven als we diezelfde waarde ook toekennen aan onszelf.

Jezelf voorbij lopen is op de lange termijn nergens goed voor. Niet voor anderen en niet voor jezelf. Maar dat we dit snappen, betekent niet dat die taal zelf zo onschuldig is. In tegendeel.

Mijn gevoel. Mijn geluk.
En dus richten we onze aandacht steeds meer naar binnen want dat is wat we te horen krijgen. Jezelf, jezelf, jezelf. Daar moeten we mee bezig zijn, daar moeten we onze zingeving vandaan halen en dat moet centraal staan in ons leven. Als ík mij maar goed voel. Mijn gevoel. Mijn lichaam. Mijn zingeving. Mijn geluk.

Sommigen zijn zo gericht op het eigen gevoel en geluk dat het verstand mee is gaan helpen. Met liefde laat het verstand ons zien hoe we ergens van kunnen profiteren. Hoe we alledaagse zaken zo kunnen regelen dat jouw individuutje er wel het meeste voordeel uithaalt.

Bijvoorbeeld dat etentje betalen en via een iets duurder tikkie weer wat euro’s besparen of je dienst niet een keertje willen ruilen met een collega in nood omdat je dan een uur eerder moet opstaan.

Mijn gevoel. Mijn geluk.

Schouderklopjes
Om nog maar te zwijgen van de commercie die ons via aanbiedingen (wat al lang geen echte aanbiedingen meer zijn), toch een gevoel geeft dat we een goede daad hebben verricht. Voor onszelf. We zijn dol op schouderklopjes van het eigen ik.

Door dat eeuwige gericht zijn op je eigen gevoel en geluk en dit doelmatig (met behulp van de ratio dus) na te streven, vergeten we dat een gevoel van betekenis en binding niet zoveel te maken heeft met het gevoel er zelf altijd het beste uit te komen.

Geven of nemen?
Wijsheid ligt overal voor het oprapen en het is allemaal al eens gezegd. Maar omdat de tijd continu verandert en daarmee de tijdsgeest ook, kunnen we oude wijsheden in een nieuw jasje stoppen.

Activisten, donateurs en vrijwilligers weten al jaren dat boven jezelf uitstijgen en in de onbaatzuchtigheid iets kunnen betekenen voor iets of iemand anders, een immens effect heeft op ons eigen gemoed.

Niet mijn gevoel, mijn geluk en mijn leven. Maar onze gevoelens, ons geluk en onze aarde.


Waar zit die rek in tijd?

Op dit moment (terwijl ik ziek ben) wandel ik veel. En soms, als mijn voeten mij richting de zon duwen en ik de vogels boven mij, waarvan ik de naam niet ken omdat ik mij nooit heb verdiept in vogelsoorten, de meest fantastische geluiden hoor produceren, neem ik meer tijd om mijn rechtervoet voor mijn linker te plaatsen. 

Alsof ik de tijd alleen zo op het verkeerde been kan zetten. Haar in mijn eigen vertraagde pas wil oprekken tot ze knapt, zoals ik vroeger al probeerde te ontdekken waar het precieze onbeweeglijke punt lag tussen het oprekken van een elastiekje en het knappen ervan. Waar was die rek in de tijd? Waar vond ik haar?

Mijn langspeelplaat en ik
In de lange, dunne steegjes van mijn denken vind ik een toeren knop, net als op mijn LP. Standaard platen kennen een afspeelsnelheid van 33 1/3 toeren, maar er zijn ook platen die je afspeelt op 45 of 78 toeren. Dit betekent dat in dezelfde tijd dat een 33 1/3 plaat één ronde heeft gemaakt, de 78 toeren plaat al 2,3 keer rond is geweest.

In onze tijd worden denk ik slechts nog 78 toeren platen gedraaid.

De tredmolen
Het leven is te kort en kan slechts ‘volledig’ ervaart worden als ervaringen elkaar in rap tempo opvolgen. Er worden 12 levens in één leven gepropt en dan nog is dat niet genoeg. Want waarom 12, als 13 nog mooier zou zijn?

(Ik ga hier liever niet in op het ongeluksgetal 13, aangezien mijn vader jarig is op de dertiende van augustus en hij mij altijd verzekerd heeft dat er een ongeschreven regel is die maar weinig mensen weten. Bij het ongeluksgetal 13 kies je er gewoon voor de eerste twee letters niet te lezen. Zo simpel als wat.)

Een peuter en een wijsgeer
Goed, ik vond dus in een met licht gevuld bovenkamertje een plaat met een grote vogel op de voorkant, die mij op 33 1/3 toeren liet spelen. Wat een verademing. Wat een ruimte. Niet alleen mijn pas vertraagde, ook mijn psyche leek deze afspeelsnelheid een stuk beter te kunnen verdragen.

Ik voelde in mijn zak, haalde er een perkamentrol uit en pakte het bovenste stukje tussen duim en wijsvinger vast. Als gevolg daarvan ontvouwde zich een volgeschreven lijst met ambities, verwachtingen en een bucketlist en kwam het nog niet uitgerolde laatste deel met een plof op het asfalt terecht.

Met de innerlijke woede van een peuter en de kalmte van een wijsgeer, scheurde ik het doormidden. Ik gooide het achter mij neer, zo hup, over mijn schouder. Ik zette mijn 78 toeren plaat –De toekomst– met als ondertitel verwachtingen van het leven, achter al mijn andere platen in de kast. Dag plaat. Hallo vogel.

Zie ook mijn nieuwe gedichtje: Zo lelijk als de nacht


Wat als jij zelf Oekraïne zou zijn? Filosoferen met kinderen

Filosoferen met groep 7/8 over de oorlog. Ik merkte dat er behoefte was aan informatie, duiding, een duidelijk verhaal. Maar juist dat schiet er in tijden van oorlog bij in. Het doet me denken aan wat ik laatst las: ‘Het eerste grote slachtoffer van oorlog, is altijd de waarheid.’

Een lekkere bak vla
Een eenduidig, hapklaar verhaal waar je bijna niet op hoeft te kauwen om het door te slikken is zeldzaam in dit informatietijdperk. Waar ingewikkelde recepten je om de oren vliegen, is er steeds meer behoefte aan een simpel toetje als vla.

Als ik trek in vla heb, dan kijk ik graag naar het jeugdjournaal. Dan heb ik alle tijd om eens rustig te proeven, in plaats van verstikt te raken in de hoeveelheid smaken, kleuren, ingrediënten en smarties.

De meeste verhalen en gebeurtenissen zijn een stuk complexer dan dat ze in eerste instantie lijken of doen voorkomen. Dat geldt ook voor de items in het jeugdjournaal. Maar om complexere materie te kunnen begrijpen is een makkelijk verteerbaar toetje geen overbodige luxe. Al is het maar om daarna een overvloedig dessert zacht te kunnen laten landen.

Beginsituatie
Een vaardigheid die ontwikkeld kan worden tijdens het filosoferen is het kunnen uitstellen van (te snel getrokken) conclusies.

Gisteren sprak ik met een groep andere kinderfilosofen over het verschil tussen kennis overbrengen over een bepaald onderwerp en filosoferen over datzelfde onderwerp. Hebben kinderen eerst bepaald soort kennis nodig om deze vervolgens te kunnen bevragen?

Van abstract, naar concreet
Uiteindelijk, tijdens mijn lessen, vond ik een weg om de oorlog daar te laten en het zware onderwerp terug te brengen tot slechts een vergelijking. We hadden zojuist besproken of we als Nederland Oekraïne zouden moeten helpen. En wat we dan zouden kunnen doen.

Ik vroeg de kinderen zich Poetin voor te stellen als een pestkop en Oekraïne als de gepeste. Wat heeft de gepeste, die kwetsbaar is, nodig?

Reacties waren er in overvloed maar de opvallendste en meest terugkerende was toch wel: ‘Als jij zelf te zwak bent om bescherming te bieden, dan heb je hulp van andere landen nodig.’

Geldt dat ook in de klas? Of op school?
‘Als iemand zich in de klas zou voelen zoals Oekraïne zich nu voelt, zei Rasja (11), dan zouden alle andere kinderen net als veel landen nu doen, dit kind kunnen helpen.’
Hoe zouden we dat kunnen doen? Hoe komen we er überhaupt achter of een kind zich voelt als Oekraïne?

Een toetje toe
En zo was het gesprek weer in de klas. Van een abstracte oorlog, naar de dagelijkse praktijk. Mijn ondertussen klotsende oksels konden weer beginnen met opdrogen.

Het filosoferen raakte hier de vreedzame school (een programma voor sociale competentie en democratisch burgerschap) en dat vond ik eigenlijk wel best. ’s Avonds nam ik als beloning een overheerlijk kommetje gele vla.


Als je les gaat over doorzetten en de les mislukt - Filosoferen met kinderen

Ik had een les voorbereid over doorzetten. Een aantal maanden eerder had ik ‘m gegeven aan groep 7/8, in een andere vorm weliswaar, maar het idee bleef hetzelfde. ‘Wat hebben we nodig als we door willen zetten?’

Dombo de olifant
Groep 3/4. Het woord doorzetten bleek nog niet te bestaan, laat staan de betekenis achter het woord en ik wist dat niet. Tijdens mijn les kwam ik erachter dat ik veel te abstract bezig was.

Ik vertelde eerst een verhaal over een dikke olifant die zich verveelde in de dierentuin en vrijheid wilde proeven. Iedereen vond dat hij thuis hoorde in de dierentuin maar het grote gevaarte wilde het tegendeel bewijzen.

Na het verhaal praatten we wat na en uiteindelijk vroeg ik: ‘Wat heb jij nodig als je wil doorzetten?’

Nu komt het
Nou, goed. Er kwam niks uit. Bleek dat de kinderen geen idee hadden wat doorzetten was. En ook toen ik via het verhaal vroeg hoe we konden ontdekken wat het was, kwam het gesprek niet op gang. Echt filosoferen hebben we dus niet gedaan. Pas de laatste vijf minuten zag ik ineens een manier om ze ‘aan’ te krijgen en aan te sluiten bij hun belevingswereld.

Te laat voor deze klas, maar aangezien ik er nog 7 had deze week, kon ik het geleerde meenemen naar de volgende les.

Torenhoge verwachtingen en teleurstelling
In het begin had ik torenhoge verwachtingen van mezelf en ook van de klassen. Bijna iedere les was ik teleurgesteld, aangezien de praktijk een slechte weergave is van de ideeënwereld waar mijn hoofd vol mee zit.

Die verwachtingen heb ik langzaam bijgesteld. Ik heb geleerd dat het filosoferen zelf een middel is om andere doelen te bereiken, hoe klein ook. En soms filosoferen we niet echt, duiken we niet de diepte in, loopt het gesprek niet lekker, maar zijn er alsnog vaardigheden/doelen die worden aangeraakt. Hoe klein ook.

Terug naar de les
In de tweede les vroeg ik de kinderen om met mij na te denken wat de olifant nodig zou hebben om te kunnen ontsnappen. Zouden we verschillende ontsnappingspogingen kunnen bedenken met ons creatieve brein?

Het werd een mooie les waarin ik voor de kinderen de vertaalslag maakte naar onze wereld door het stellen van vragen.

Verschillende ontsnappingspogingen
De olifant ontsnapte volgens een kind via een ladder en soms hebben we inderdaad materialen nodig om door te kunnen zetten. Welke materialen zouden we nodig kunnen hebben als het met rekenen niet lekker gaat?

De olifant ontsnapte met de hulp van de bewakers. Inderdaad, soms heb je hulp nodig van andere mensen als je door wil kunnen zetten.

De olifant ontsnapte door heel hoog te springen. ‘Wat heeft hij daarvoor nodig?’ De kinderen: ‘Kracht, energie en sterke spieren.’
‘Soms hebben we kracht, energie en sterke spieren nodig om door te gaan als we iets moeilijk vinden. Zou iemand een ander voorbeeld kunnen noemen waarvoor je deze drie dingen nodig hebt?’

De olifant ontsnapte door heel veel te poepen waardoor de bewakers flauw zouden vallen van de lucht en hij kon ontsnappen. Wat had de olifant daarvoor nodig, vroeg ik aan Miguel. ‘Zijn eigen lichaam en zijn hersens om het plan uit te denken’, antwoordde hij.

Doorzetten
Als je les gaat over doorzetten en je les mislukt, dan ga je door. Wat ik daarvoor nodig heb?
– Een mooie werkplek waar de mogelijkheid er is om te vallen, uit te proberen en op te krabbelen.
– Meerdere klassen in dezelfde leeftijdsgroep waardoor je dezelfde les opnieuw en opnieuw aan kan passen en veranderen.
– Mildheid en geduld met en naar mezelf toe.


Waarom een schoonmaker de baas is - Filosoferen met kinderen

Filosoferen kenmerkt zich door een beweging die heen en weer gaat tussen concrete en abstracte vragen. Tijdens het filosoferen met kinderen probeer ik hierin een balans te vinden. Zo kan een stimulus, bijvoorbeeld een verhaal, aanleiding zijn tot de vraag: Waarom heeft de hond in het verhaal geen naam? Dit kan dan leiden tot een algemenere vraag: Waar komen namen vandaan?

Ik ben de koning! Ik ben de baas!
Deze week filosofeerde ik met 7 klassen, variërend van groep 3 t/m groep 5 over ‘de baas zijn’. Als leidraad gebruikte ik het verhaal: ‘Ik ben de koning! Ik ben de baas!’ uit het boek Kan niet bestaat niet van Fabien van der Ham.

Sommige kinderfilosofen stellen dat jonge kinderen de beste filosofen zijn. Daar ben ik het niet mee eens, maar dat jonge kinderen nog niet vastzitten in een bepaald denkkader en niet geremd worden door een hoeveelheid kennis zorgt er zeker voor dat er verrassende redeneringen worden gedaan.

Dit is niet alleen ontzettend plezierig, ze leren ook al op hun eigen niveau juist redeneren, hun gedachten onder woorden brengen en sociaal-communicatief vaardig te zijn. Ze leren al op een creatieve wijze te denken en verbanden te leggen.

De baas zijn en de baas spelen
Vandaag was het Sam, die op een mooie manier liet zien waar het jonge kind nog toe in staat is. We dachten met elkaar na over ‘de baas zijn’. Over het verschil tussen de baas zijn en de baas spelen (twee verschillende begrippen, twee verschillende betekenissen) en over waar de koning nu eigenlijk de baas over is.

Het verhaal dat ik voor had gelezen ging namelijk over een koning die in het zwembad niet de baas was (hij mocht geen bommetje doen van de badmeester), die in het verkeer niet de baas was (hij mocht niet te snel rijden van de agent) en die thuis niet de baas was (hij mocht niet eens met zijn handen eten want er was een andere keizer op bezoek). Maar hij was toch de koning? Hij was de baas!

Wie is de baas?
Nadat we over het verhaal hadden nagedacht breidde ik de vragen uit. Waar was de juf de baas? Over wie? En waar de brandweerman? En was de brandweerman meer de baas dan de juf?

Alle kinderen kregen nu in tweetallen (gelamineerde) plaatjes van bepaalde beroepen. Deze mochten ze op een lijn leggen van helemaal niet de baas naar heel erg de baas. Terwijl de meeste kinderen de agent op de eerste plek hadden liggen, lag die bij Sam en Iris op plek 2. Zij hadden namelijk de schoonmaker op plek 1. En nu moet je, voordat je verder leest, eens nadenken waarom de schoonmaker van alle andere beroepen, het meest de baas is. Probeer het maar.

De redenering van Sam en Iris (groep 3):
Sam: ‘Een schoonmaker is van al deze mensen de meeste tijd alleen. Want een schoonmaker werkt vaak ’s avonds of heel vroeg. Je bent het meest de baas als je alleen bent omdat je dan dingen op je eigen manier kan doen. Je kunt dansen met de bezem en je kunt het beste de baas zijn over jezelf. Want als je alleen bent kun je het meest de baas zijn over jezelf.’

Het gaat er niet om dat dit een waterdichte redenering is, dat ie volledig correct is of dat er niet ontzettend veel aannames inzitten waaraan getwijfeld kan worden. Jonge kinderen zijn dan ook geen filosofen, zoals ik al eerder zei, maar we kunnen ze wel leren denken. Sam laat hier op een hele mooie manier zien waarom een schoonmaker voor hem het meest de baas is.

Net als dat we rekenen en taal moeten leren, word je ook niet automatisch geboren met goede denkvaardigheden. Je wordt geboren met een bepaald vermogen tot of een bepaalde capaciteit om het te leren. Leren denken dus. Groep 3/4 is in ieder geval al erg goed op weg!


Zijn alle bruine beren bruin? Filosoferen over (on)zekere kennis

Als kinderfilosoof filosofeer ik iedere week op twee basisscholen met kinderen. Deze week leerden de kinderen de jongere Bo kennen. Groep 7/8 had de NIO toets en ik wilde hierop aanhaken. Begeleid door een PowerPoint vertelde ik over de jonge Bo. Het blonde meisje had met de NIO voor haar neus nagedacht over de vraag: Hoe weet ik eigenlijk zeker dat dat wat ik geleerd heb, echt waar is?

Er bleek een aparte tak in de filosofie te zijn die we kennistheorie noemen. Daar wordt nagedacht over de vraag: ‘Wat weten we eigenlijk zeker?’

Ik maakte een dansje in de klas. ‘Horen jullie wat ik zeg?’ vroeg ik met ingehouden adem. ‘Ik dacht hier al over na in groep 8! En het bleek gewoon een onderdeel te zijn van de filosofie!’

Wat weten kinderen zeker?
De kinderen kregen de opdracht een opsomming te maken van dingen die ze zeker zouden weten. Direct begonnen de kinderen in de groepjes te discussiëren. Want hoe wist je eigenlijk zeker dat de aarde rond was? Honderden jaren hadden mensen ook geloofd dat deze plat was.

‘Ik weet zeker dat ik leef,’ zei een meisje uit groep 7, waarop haar buurjongen gelijk zei: ‘maar wat als je nu droomt? Hoe weet je dat je nu niet droomt?’
Het meisje antwoordde: ‘Ik moet leven om te kunnen dromen, dus ik weet nog steeds zeker dat ik leef.’ Een tweede jongen kwam zich ermee bemoeien. ‘Misschien ben je wel een computer die denkt dat ie mens is en leeft!’

100% zeker dat ik niks zeker kan weten
Van de tien klassen die ik elke week lesgeef, was er in iedere klas minstens één iemand die zei: ‘Ik weet niks zeker juf. Er is niks wat je zeker kunt weten.’ Ik probeerde dan bedenkelijk te kijken en zei tussen neus en lippen door: ‘Weet je dat zeker?’

Vaak was dan het antwoord: ‘Ja, dat weet ik heel ze…. OH! IK WEET ZEKER DAT IK NIKS ZEKER WEET.’
Sommige kinderen gingen nog verder zonder mijn verdere hulp en zagen direct de innerlijke tegenspraak. ‘Ik kan dit niet opschrijven juf, want dan komt ie op het lijstje wat ik zeker weet maar er staat dat je niks zeker kan weten dus dan klopt het niet.’

Opdracht
Nadat ik een lijstje op het bord had gemaakt met allemaal dingen die we zeker wisten en we hadden nagedacht over hoe we zulke dingen zeker konden weten, hebben we nog een korte opdracht gedaan. Ieder groepje kreeg van mij kaartjes met daarop stellingen als:
– Alle bruine beren zijn bruin
– Alle mensen hebben een hart
– Mijn bed staat in mijn slaapkamer
– Ik zit op school
– 2 + 2 = 4
– Iedereen vindt snoep lekker

De kinderen moesten drie stapeltjes maken:
Dit weten we niet zeker, dit weten we een beetje zeker en dit weten we heel zeker.

Ik ben een absoluut voorstander van goed reken- en taalonderwijs. Maar dat wil niet zeggen dat we niet ook vakken kunnen aanbieden waarbij het eens niet gaat om ‘goed’ of ‘fout’. Iedere stelling kan namelijk in alle vakjes worden geplaatst, mits en alleen mits de redenering logisch en correct is.

Alle bruine beren zijn bruin
Tom: ‘Niet als een beer in de verf of modder rolt en je helemaal geen bruine vacht meer ziet.’
Thomas: ‘Heel zeker als je puur kijkt naar de taal. Bruine beren zijn beren die bruin zijn, dus alle bruine beren (beren die bruin zijn) zijn bruin.’
Anke: ‘De bruine beer is een ras. Als twee bruine beren een albino krijgen, dan hoort de albino nog steeds bij het ras bruine beer, maar hij is wit.’


Kun je vrienden worden met een robot?

Kun je vrienden worden met een robot?

Deze week filosofeerden we over vriendschap. Aan het begin van de les liet ik een filmpje zien over verschillende katten die reageren op een robotkat. Er werd met elkaar nagedacht of katten vrienden kunnen worden met een robotkat.

Vervolgens introduceerde ik nogmaals het woord gedachte-experiment. Mijn eerste les had in het teken gestaan van het gedachte-experiment en ik wilde dit nogmaals uitleggen en herhalen. Ik liep de klas uit en sloop daarna geheimzinnig de klas in.

Aan mijn hand had ik namelijk een mensenrobot meegenomen. Ik zette hem op tafel neer, vroeg de kinderen of ze hem allemaal voor zich konden zien en of ze met deze robot bevriend zouden kunnen worden. Stel je eens voor dat deze robot kon praten, kon bewegen en even groot zou zijn als jullie.

Zou je dan vrienden kunnen worden met mijn robot?

Een stukje uit het gesprek met groep 7/8
Jongen uit 7/8: ‘Nee, want een robot gedraagt zich niet als een mens.’
Ik: ‘Wat doet of heeft een robot dan niet, wat een mens wel doet of heeft?’
Hij: ‘Een robot heeft geen mening. En ik zou geen vrienden kunnen zijn met iets dat geen mening heeft.’
Ik: ‘Stel je nu eens voor dat ik mijn mening programmeer in de robot. Zou je dan wel vrienden kunnen worden met de robot?’
Hij: ‘Nee, want het is niet zijn eigen mening.’
Ik: ‘Ahaa, dus jij kan vrienden worden met iets als het een eigen mening heeft. Niet zomaar een mening, maar een eigen mening.’
Hij: ‘Ja. En hij mag het niet altijd met mij eens zijn. Dat zou ik niet leuk vinden.’

Meisje dat hierop reageert: ‘Ik ben het daar niet mee eens want het is toch juist leuk als de robot doet wat jij wil.’
Ik: ‘Geldt dat ook als de robot altijd doet wat jij wil?’
Zij: ‘Nee, niet altijd. Maar vaak wel.’
Ik: ‘Wanneer niet dan?’
Zij: ‘Het kan saai worden als de robot altijd maar doet wat ik wil. Maar het grootste gedeelte van de tijd zou het wel leuk zijn.’
Ik: ‘Kun je een voorbeeld geven van een situatie waarbij je zou willen dat hij op dat moment iets anders doet dan dat je op het moment zelf zou willen?’
Zij: ‘Dat weet ik niet echt.’
Ik: ‘Kan iemand anders haar helpen? Is er een voorbeeld te bedenken waarbij we zouden willen dat de robot iets anders doet dan dat we in eerste instantie zouden willen en dit toch best fijn of belangrijk is?’

Een stukje uit het gesprek met groep 5
Meisje uit groep 5: ‘Ik zou wel vrienden met de robot kunnen zijn als hij met mij speelt.’
Ik: ‘Het is voor jou dus belangrijk dat iemand samen wil spelen, want dan kun je vrienden met diegene worden.’
Zij: ‘Ja. En hij moet ook aardig zijn.’
Ik: ‘Dus hij moet én met je spelen én aardig zijn.’
Zij: ‘Ja. En hij moet mijn geheimen niet doorvertellen, want dan ben je mijn vriend niet meer.’

Jongen die hierop reageert: ‘Maar dan mag jij ook zijn geheimen niet doorvertellen. Want je moet wel allebei dan goed geheimen kunnen bewaren. Het is niet zo dat de robot jou niet mag schoppen en jij dan wel de robot mag schoppen. Dan zou de robot geen vriend meer met jou willen zijn.’
Ik: ‘Dus eigenlijk moet vriendschap met een robot van twee kanten komen. Zowel de robot als jij moeten beiden vrienden met elkaar willen zijn.’
Hij: ‘Ja.’
Ik: Geldt dit ook voor een mensenvriend?
Zij: ‘Ja, bij een mensenvriend wel. Maar een robot leeft niet. Ik bepaal zelf of hij mijn vriend is dus de robot hoeft mij niet te zien als vriend.’

Vriendschap
Zonder dat de kinderen het bewust doorhadden, zijn we deze week bezig geweest met het concept vriendschap. Wanneer noem je iemand een vriend? Waarom zou je wel of geen vrienden kunnen zijn met een robot? Waar moet een robot aan voldoen om jouw vriend te kunnen zijn? Geldt dat ook voor je vriendjes in de klas? Wat zijn voor jou belangrijke voorwaarden van vriendschap?

Filosoferen op school met juf Bo 
Het uitdiepen van concepten stimuleert niet alleen de taalontwikkeling maar laat kinderen ook nadenken over hun eigen voorkeuren. Wat vind ik belangrijk? Het kunnen formuleren van je eigen gedachten en deze aanscherpen gebeurde mooi bij de jongen in groep 7/8 die een eigen mening belangrijk vond en niet zomaar een mening.

We zijn nu eenmaal mensen die alles wat we horen en zien moeten interpreteren. Bij dit interpretatieproces ontstaan regelmatig misverstanden. Het is mijn drive en mijn wil om kinderen te leren hun eigen gedachten beter onder woorden te brengen. Om daarmee te oefenen. Om vervolgens beter begrepen te worden en daarmee het zelfvertrouwen, een positief groepsgevoel en het taalvermogen van leerlingen een enorme boost te geven.


'Bloemkool, doet het pijn om uit de grond te worden getrokken?'

Deze week begon het filosoferen met de groepen 5 t/m 8. Het onderwerp? Een pratende bloemkool. Raar? Zeker. Nieuw? Dat ook. Grappig? We hebben wat afgelachen!

Een pratende bloemkool
De klassieke eerste les in de kinderfilosofie is de les met de bloemkool. Ik kon niet achterblijven en dus kwam ik, gewapend met een roze box met daarin een bloemkool onder mijn arm, de klas binnen.

Na een korte inleiding over wat filosoferen precies inhield, konden we aan de slag. Je kunt het beste ervaren wat filosoferen is, door het te doen. Ik vertelde de klas dat in de grote roze doos een pratend ding zat. Terwijl ik de doos opende en de bloemkool eruit haalde werd er bij het zien van de bloemkool gelachen, gegild, met de ogen gerold en sommige mini-filosoofjes begonnen direct met creatief denken. Ze probeerden manieren te verzinnen waarom ik dit een pratende bloemkool noemde.

Het gedachte-experiment
In de filosofie is het ‘gedachte-experiment’ een belangrijke tool om na te kunnen denken over dingen die in het echt misschien niet kunnen, maar die het denkvermogen wel kunnen oprekken. Vanuit je luie stoel, kun je op deze manier tot nieuwe kennis komen. Vaak begint een gedachte-experiment met: ‘Stel je eens voor dat…’

Zo ook in mijn filosofieles: ‘Stel je eens voor dat deze bloemkool kon praten, wat zou je ‘m dan willen vragen?’

Vragen durven stellen
Er werd veel gegiecheld, gelachen, gespeeld en ontdekt. En dat was juist de bedoeling. De kinderen durfden zich te laten verwonderen en durfden het vanzelfsprekende te bevragen:

‘Bloemkool, doet het pijn als je uit de grond wordt getrokken?’
‘Bloemkool, hoe zou jij kunnen weten welke kleur je bent?’
‘Bloemkool, hoe voelt het om steeds verder uit elkaar te worden gehaald?’
‘Bloemkool, wat was je belevenis in de roze doos?’
‘Bloemkool, hoe lang ben je een zaadje geweest?’

Er bestaan verschillende soorten vragen
Ik wilde de kinderen in deze eerste les direct kennis laten maken met het denkgereedschap gedachte-experiment. Bijkomend leerdoel was dat de kinderen het verschil leerden tussen een filosofische vraag en een kennisvraag.

De vraag: ‘Hoe lang ben je een zaadje geweest?’ is een kennisvraag. Er is één goed antwoord en als we het aan een expert vragen, dan zou hij naar alle waarschijnlijkheid een antwoord kunnen geven.

De eerste vraag: ‘Doet het pijn als je uit de grond wordt getrokken?’ is een typisch filosofische vraag. Bij een filosofisch gesprek over deze vraag, zal het concept ‘pijn’ onder de loep worden genomen. Kan een bloemkool pijn ervaren? Hoe weten we dat? Zijn er soorten pijn? Wat is pijn eigenlijk?

Een geslaagde eerste week
Zelf moest ik natuurlijk weer wennen aan het ‘voor de klas staan’. Aangezien ik 10 (dezelfde) filosofielessen per week geef aan verschillende groepen, kan ik enorm veel dingen uitproberen. Wat werkt wel, wat werkt niet, wat kan beter, wat doe ik mijn volgende les anders?

Het is een enorm gaaf proces om zo snel en vaak één en dezelfde les bij te schaven. Om te reflecteren en de verbeterpunten direct in dezelfde les (alleen met een andere groep) toe te passen. Om beter te worden in mijn vak: Het zijn van een kinderfilosoof.

(Het zijn van een kinderfilosoof, zo heette de titel van mijn scriptie dus ik vond het voor mezelf erg leuk om hiermee mijn blog af te sluiten. Voor jullie minder pakkend, maar ach, zo houd ik mezelf lekker bezig.)

Okéoké, dan nog even een echte afsluiter:

Eet jij vanavond bloemkool, broccoli, wortel, courgette of paprika? Probeer het dan ook eens. Wat zou jij die bloemkool, broccoli, wortel, courgette of paprika willen vragen? Zijn dat vooral kennisvragen of filosofische vragen?

‘Bloemkool, is jouw beste vriend broccoli?’