'Bloemkool, doet het pijn om uit de grond te worden getrokken?'

Deze week begon het filosoferen met de groepen 5 t/m 8. Het onderwerp? Een pratende bloemkool. Raar? Zeker. Nieuw? Dat ook. Grappig? We hebben wat afgelachen!

Een pratende bloemkool
De klassieke eerste les in de kinderfilosofie is de les met de bloemkool. Ik kon niet achterblijven en dus kwam ik, gewapend met een roze box met daarin een bloemkool onder mijn arm, de klas binnen.

Na een korte inleiding over wat filosoferen precies inhield, konden we aan de slag. Je kunt het beste ervaren wat filosoferen is, door het te doen. Ik vertelde de klas dat in de grote roze doos een pratend ding zat. Terwijl ik de doos opende en de bloemkool eruit haalde werd er bij het zien van de bloemkool gelachen, gegild, met de ogen gerold en sommige mini-filosoofjes begonnen direct met creatief denken. Ze probeerden manieren te verzinnen waarom ik dit een pratende bloemkool noemde.

Het gedachte-experiment
In de filosofie is het ‘gedachte-experiment’ een belangrijke tool om na te kunnen denken over dingen die in het echt misschien niet kunnen, maar die het denkvermogen wel kunnen oprekken. Vanuit je luie stoel, kun je op deze manier tot nieuwe kennis komen. Vaak begint een gedachte-experiment met: ‘Stel je eens voor dat…’

Zo ook in mijn filosofieles: ‘Stel je eens voor dat deze bloemkool kon praten, wat zou je ‘m dan willen vragen?’

Vragen durven stellen
Er werd veel gegiecheld, gelachen, gespeeld en ontdekt. En dat was juist de bedoeling. De kinderen durfden zich te laten verwonderen en durfden het vanzelfsprekende te bevragen:

‘Bloemkool, doet het pijn als je uit de grond wordt getrokken?’
‘Bloemkool, hoe zou jij kunnen weten welke kleur je bent?’
‘Bloemkool, hoe voelt het om steeds verder uit elkaar te worden gehaald?’
‘Bloemkool, wat was je belevenis in de roze doos?’
‘Bloemkool, hoe lang ben je een zaadje geweest?’

Er bestaan verschillende soorten vragen
Ik wilde de kinderen in deze eerste les direct kennis laten maken met het denkgereedschap gedachte-experiment. Bijkomend leerdoel was dat de kinderen het verschil leerden tussen een filosofische vraag en een kennisvraag.

De vraag: ‘Hoe lang ben je een zaadje geweest?’ is een kennisvraag. Er is één goed antwoord en als we het aan een expert vragen, dan zou hij naar alle waarschijnlijkheid een antwoord kunnen geven.

De eerste vraag: ‘Doet het pijn als je uit de grond wordt getrokken?’ is een typisch filosofische vraag. Bij een filosofisch gesprek over deze vraag, zal het concept ‘pijn’ onder de loep worden genomen. Kan een bloemkool pijn ervaren? Hoe weten we dat? Zijn er soorten pijn? Wat is pijn eigenlijk?

Een geslaagde eerste week
Zelf moest ik natuurlijk weer wennen aan het ‘voor de klas staan’. Aangezien ik 10 (dezelfde) filosofielessen per week geef aan verschillende groepen, kan ik enorm veel dingen uitproberen. Wat werkt wel, wat werkt niet, wat kan beter, wat doe ik mijn volgende les anders?

Het is een enorm gaaf proces om zo snel en vaak één en dezelfde les bij te schaven. Om te reflecteren en de verbeterpunten direct in dezelfde les (alleen met een andere groep) toe te passen. Om beter te worden in mijn vak: Het zijn van een kinderfilosoof.

(Het zijn van een kinderfilosoof, zo heette de titel van mijn scriptie dus ik vond het voor mezelf erg leuk om hiermee mijn blog af te sluiten. Voor jullie minder pakkend, maar ach, zo houd ik mezelf lekker bezig.)

Okéoké, dan nog even een echte afsluiter:

Eet jij vanavond bloemkool, broccoli, wortel, courgette of paprika? Probeer het dan ook eens. Wat zou jij die bloemkool, broccoli, wortel, courgette of paprika willen vragen? Zijn dat vooral kennisvragen of filosofische vragen?

‘Bloemkool, is jouw beste vriend broccoli?’


Een grote-mensenbaan! Ik word kinderfilosoof, maar wat is dat?

Een diepe dip en een nieuwe toekomst. Zo zal ik de periode noemen na mijn afstuderen aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie. Die nieuwe toekomst gaat nu van start. Ik ben namelijk aangenomen in het basisonderwijs als leraarondersteuner in combinatie met vakspecialist filosofie (oftewel kinderfilosoof). Maar wat doet een kinderfilosoof eigenlijk? En wat is filosoferen met kinderen?

Filosoferen is een werkwoord
Filosoferen is een activiteit. Dat betekent dat ik niet voor de klas sta en uitleg geef over de grote denkers die de Westerse geschiedenis rijk is of over ingewikkelde filosofische theorieën en stromingen. Nee, wat wij gaan doen is denkvaardigheden ontwikkelen.

Samen met de kinderen zal ik gaan nadenken over vragen waar geen eenduidig antwoord op is. Bijvoorbeeld: Kunnen dieren denken? Of: Mag je altijd zeggen wat je denkt?

Wat filosoferen met kinderen niet is
Filosoferen met kinderen is geen gezellig kringgesprek waarbij er vooral meningen worden uitgewisseld. Het is ook geen debat waarbij je kunt winnen met goede argumenten of een discussie waarbij gelijk krijgen hoog in het vaandel staat. Het is ook geen plek waar je vrijblijvend kunt fantaseren.

Filosoferen is eigenlijk best wel strikt. Het is geen gesprek waar je kunt zeggen wat je denkt zonder dat denken onder de loep te nemen en te verantwoorden waarom je dat vindt of zegt. Je komt niet meer weg met antwoorden als: ‘Dat vind ik gewoon’ of: ‘Nou, iedereen ziet dat anders. Dit is jouw waarheid en ik heb de mijne.’

Maar wat is filosoferen met kinderen dan wel?
Filosoferen begint eigenlijk altijd met een vraag die aanzet tot nadenken. Natuurlijk zijn dit vragen die passen bij de belevingswereld van het kind (ik filosofeer met kinderen van groep 3 t/m groep 8).

Tijdens een filosofisch gesprek worden argumenten aan een onderzoek onderworpen. Je denkt ergens gedisciplineerd en methodisch over na. Je gaat op onderzoek uit. ‘Klopt het wat je zegt? Is dat altijd zo? Kunnen we een tegenvoorbeeld vinden? Net zei je het een, nu zeg je het ander; zijn die twee dingen verenigbaar met elkaar? Of moeten we er één kiezen die we verder gaan onderzoeken?’

Filosoferen is een gezamenlijk denkonderzoek.
Je bent gezamenlijk bezig met het onderzoeken van het eigen denken. Dit kan in iedere groep en op verschillende niveaus.

Tijdens het filosoferen leren de kinderen:
– naar elkaar luisteren;
– de eigen gedachten onder woorden te brengen;
– elkaars opvattingen en meningen te respecteren;
– sociaal-communicatief vaardig zijn;
– kritisch en zelf nadenken;
– begrippen en argumenten analyseren, toetsen en correct gebruiken;
– perspectivische lenigheid ontwikkelen (verschillende perspectieven kunnen herkennen);
– naar alternatieven en tegenvoorbeelden te zoeken;
– voort te bouwen op elkaars gedachten (samenwerken).

We hebben er zin in! Laten we met de toekomstige wereldburgers gaan denken! ;D


Een diepe dip, een nieuwe toekomst en een BAAN!

Ik dacht na mijn afstuderen: Wat nu? Diepe dip, wist niet dat er zoveel grauwe kleuren bestonden want leven verloor binnen enkele maanden haar helderheid en glans. Nog steeds sta ik tot aan mijn knieën in de zwarte prut. Lopen is zwaar, maar ik dreig tenminste niet kopje onder te gaan.

Existentie = aanzijn, bestaan, leven
Bij een filosoof horen wat mij betreft existentiële crisissen. Een gevoel dat je plots kan overvallen: Wat doe ik hier? Waarom moet ik door mijn eigen lijden heen terwijl het uiteindelijk nergens toe leidt? De zinloosheid achter al het betekenisloze geneuzel maken zowel je voeten als je mondhoeken zwaar.

De rest van de wereld lijkt de modder niet te zien. Dat is het beroerde aan psychisch lijden. Beter een gebroken arm; iedereen die ziet dat sporten niet lukt, dat er iets aan de hand is en dat je ook weer zal herstellen. Maar psychische pijn komt en gaat wanneer het zin heeft.

Theater is dan wel mijn ding, maar ik doe heus niet alsof 
Ik doe niet alsof als ik gezellig op een verjaardag, op de sport, op werk of als ik samen met vrienden ben. Ik doe niet alsof als ik met mijn blote voeten het natte gras streel en huppel als Maria uit Sound of the Music of een prachtige dag organiseer met heel veel andere ukelele-fanaten. Ik ben op dat moment oprecht in een euforische stemming.

Maar als ik geen vangnetten bouw om de pijn van alledag te kunnen verdragen.. Als ik geen vangnetten bouw om de zinloosheid, de grootsheid en de nietigheid van het mens-zijn op te vangen, dan val ik iedere keer zo’n ontzettend diep stuk naar beneden dat de klap steeds moeilijker te verdragen is.

Tijd voor een plan. Tijd voor een toekomst. Tijd voor hulp.

Driehoeksverhouding
En dus ging ik niet op zoek naar bestaande beroepen waarin ik misschien wel of niet paste. Maar bedacht ik een functie die paste bij mij. En kijk hier, dat lukte (niet zonder slag, stoot, geduld of stress).

Ik bedacht een driehoeksverhouding waarin ik de drie functies van kinderfilosoof, onderwijsassistent en invalkracht in het basisonderwijs kon combineren met elkaar. Twee directrices waren, nadat ik contact had gehad met verschillende besturen, dolenthousiast.

Nu heb ik een doel, een toekomst en hulp.

Filosoferen met kinderen
Ik ga filosoferen met kinderen. En dat is geweldig. Wat filosoferen met kinderen precies is? Dat lees je hier. Want filosoferen met kinderen is allerminst zwaar op de hand of eng. We zullen samen na gaan denken over vragen als: Kunnen dieren denken? En: Mag je altijd alles zeggen wat je denkt?

Daar kun je methodisch en gestructureerd over leren nadenken, zodat er doordachte antwoorden komen op vragen die niet eenduidig zijn. Antwoorden waarover is nagedacht, die onderbouwd zijn met argumenten die standhouden en die vrij zijn van drogredeneringen.

Kinderen die leren te respecteren dat er verschillende opvattingen naast elkaar bestaan, die hun eigen gedachten steeds beter leren formuleren, die kritisch en zelf leren nadenken, die sociaal-communicatief vaardig zijn en die naar alternatieven en tegenvoorbeelden kunnen zoeken in een gezamenlijk denkgesprek. Mooi toch?

En ik?
Bepaalde periodes van pijn, verdriet, leegte, eenzaamheid; ze horen er ook bij. Nu nog manieren vinden om ze te ondergaan in plaats van er aan onderdoor te gaan ;). Mindfulness en de meditatie-oefeningen die daarbij horen schijnen bij heel veel mensen te werken en hebben ondertussen een wetenschappelijke basis waaruit een traject/methode is opgezet. Leuk voor later. Niet al te later. Over een half jaar ofzo. Of volgende maand. Volgende week? Oké, oké, morgen.

Vandaag.

Nu dus.

Serieus?

Ja.

Ok.


Ik wil gaan mediteren, maar het klinkt zo 'zweverig'

In een van mijn vorige blogs heb ik aangegeven dat het soms lastig is om een gewoonte te doorbreken en een nieuwe routine toe te voegen. Ik wil naast schrijven gaan mediteren. Niet op een yogamatje en met een klankschaal, maar op een stoel in spijkerbroek.

Een lesje logisch redeneren
Mediteren heeft voor veel mensen een zweverige connotatie. Het klopt dat bijna alle ‘zweverige’ mensen mediteren, maar mediteren is daarmee niet inherent ook zweverig. Net als depressie de oorzaak kan zijn van lichamelijke problemen, maar niet alle lichamelijke problemen terug te leiden zijn naar een depressie. Lichamelijke problemen, los van een depressie, kunnen natuurlijk ontzettend veel oorzaken hebben (ongezonde levensstijl, sport, chronische ziekte, ongeluk, etc.).

Mediteren kun je dus ook los zien van deze ‘zweverige’ mensen. Het is niet inherent, dus niet onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als mens zijn we geneigd alles met elkaar te verbinden en overal causaliteit (oorzaak-gevolg relaties) in te zien. In dit geval is dat onjuist. Dat zweverige mensen graag mediteren, betekent niet dat het mediteren in zichzelf zweverig is.

Wil je meer weten over logisch redeneren? Klik dan hier! In dit blog leg ik het namelijk rustig en kort uit. (Let op: alleen voor de leergierigen onder ons. Het is geen makkelijke kost, maar meer dan waardevol.)

Stomme aardse figuurtjes
Ik denk dat mediteren mij kan helpen rommel in mijn hoofd op te ruimen. Soms is het er een chaos. Helemaal als je begrijpt dat in mijn hoofd een antwoord altijd direct leidt tot nieuwe vragen. Zo staat mijn denken nooit stil.

Ik schrijf iedere week een blog die je hier kunt vinden en ik ga jullie af en toe meenemen in mijn meditatiegekte. Er is geen spirituele reis, geen ego dat uit de weg moet worden geruimd en er zijn geen energetische stromingen die uit balans zijn. Er komt geen Jezus Christus die ik ga ontmoeten of een diepere laag in mij waardoor ik op een hoger level kom te zitten dan al jullie stomme aardse figuurtjes en ook geen ‘alles is liefde’ (alvast sorry voor de Robert ten Brink fans).

Stok achter de deur
Ik zou al blij zijn met wat rust in mijn hoofd, wat acceptatie naar mezelf en de mogelijkheid mijn tranen voor even de vrije loop te laten (indien daar behoefte aan is). Dat heeft vroegere meditatie met mij gedaan en ik vond het heerlijk.

Hier zou ik mezelf direct een halt moeten toeroepen want mediteren is daar eigenlijk niet om te doen. Het gaat er nu juist niet om dat je iets bereikt, wint, moet of leert. Even geen verwachtingen. Ik houd jullie op de hoogte en op die manier zijn jullie mijn stok achter de deur, want ook ik vind het ontzettend moeilijk nieuwe gewoontes te creëren. En dit wordt er eentje. Eentje waar ik mogelijk veel baat bij heb.


Voor de leergierigen onder ons: Formele logica

In dit blog schrijf ik over de zweverige connotatie van het woord mediteren. Het klopt dat bijna alle ‘zweverige’ mensen mediteren, maar mediteren is daarmee niet inherent ook zweverig. Voor de leergierigen onder ons geef ik in dit blog een korte inleiding in logisch redeneren oftewel de formele logica.

Mediteren kun je namelijk los zien van deze ‘zweverige’ mensen. Het is niet inherent, dus niet onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als mens zijn we geneigd alles met elkaar te verbinden en overal causaliteit (oorzaak-gevolg relaties) in te zien. In dit geval is dat onjuist. Dat zweverige mensen graag mediteren, betekent niet dat het mediteren in zichzelf zweverig is.

Voor de leergierigen onder ons
Ik heb het hier over de drogreden Onjuist beroep doen op causaliteit. Het betekent dat het gevolg dat gegeven wordt, niet altijd een gevolg is van oorzaak X. Oorzaak X kan een ander gevolg hebben of het gevolg kan een andere oorzaak hebben. In dit geval klopt de premisse: ‘Zweverige mensen mediteren altijd’ niet met de conclusie: ‘Mediteren is zweverig’. Om deze redenering logisch geldig te maken, hebben we nog een premisse nodig. (Een premisse is een stelling, een vooronderstelling, waarop je je conclusie baseert.)

Om een logisch syllogisme te laten ontstaan hebben we altijd een driestapsredenering nodig.
In het voorbeeld hieronder heb ik premisse 1 toegevoegd. Nu is de conclusie wel logisch geldig!

Premisse 1: Alles wat zweverige mensen doen, is zweverig.
Premisse 2: Zweverige mensen doen aan meditatie
Conclusie: Meditatie is zweverig

Dit syllogisme is logisch correct en dus geldig want uit premisse 1 en 2, volgt logischerwijs de conclusie. Let op! Het is wel geldig maar niet waar! Om een ware conclusie te krijgen, moeten de premissen namelijk allebei waar zijn. Er is dus een verschil tussen geldigheid en waarheid.

Verschil informele en formele logica
Als het om de inhoud gaat van de argumenten, spreek je over informele logica. De premissen moeten dan waar zijn.

Als je spreekt over formele logica, dan gaat het over de geldigheid. Uit premisse 1 en 2, moet logischerwijs de conclusie volgen (ondanks dat deze niet waar kan zijn, zoals in mijn voorbeeld). Voor nu nemen we even aan dat premisse 1: ‘Alles wat zweverige mensen doen, is zweverig’ onwaar is, aangezien je niet alles zweverig kunt noemen wat een zweverig persoon zou kunnen doen (kaas eten, fietsen, praten, ademen, lopen, tekenen, een gat graven, etc.). Dit syllogisme is dus wel geldig maar niet waar. Het gaat er in de formele logica dan ook niet om of het waar is, maar of de conclusie logischerwijs volgt uit de twee premissen.

Een ander voorbeeld van een geldig syllogisme dat niet waar is:

Premisse 1: Alle lezers op Boisme.nl heten Robin
Premisse 2: Ik ben een lezer op Boisme.nl
Conclusie: Ik heet Robin

De conclusie is hier formeel geldig, want uit de twee premissen vloeit noodzakelijk de conclusie.


Afgestudeerd bij Centrum Kinderfilosofie Nederland

Dit blog is geplaatst op www.hogeschoolvoortoegepastefilosofie.nl

Eens gaat de zon onder
De zon stond op het punt om onder te gaan. Al de hele avond had ik me verheugd op dit moment. Het was een stille en warme avond, de luchtvochtigheid was hoog en af en toe sloeg ik een mug dood die zoomend langs mijn oor wachtte om op het juiste moment toe te slaan.

Met slechts één wolkje aan de lucht (die met een beetje fantasie de vorm aannam van een kameel) was het moment aangebroken. Het leek nu of de zon met haar onderkant, voor zover zij een onderkant heeft, balanceerde op de horizon. Binnen een paar minuten zouden de laatste zonnestralen van deze avond te zien zijn op mijn huid. Het hoofdstuk was uit, de inkt op mijn ziel gedrukt.

Op het moment dat ik aan deze opleiding begon, was er niet zoiets als afstuderen in de filosofie. Het bestond in mijn hoofd simpelweg niet. Eerst maar eens die eerste paar maanden doorkomen, daarna zag ik wel verder. Maar beetje bij beetje kwam de zon dichter bij de horizon. Langzaamaan begonnen de lessen, de docenten, mijn geliefde klasgenoten, de theorie, de diepgang en het plezier plaats te maken voor de spanning die kwam kijken bij die laatste paar minuten. De bladzijdes aan het eind van dit HTF-hoofdstuk wijdde ik aan Centrum Kinderfilosofie Nederland (CKN).

Mijn scriptie
Het CKN is een organisatie die bezig om het beroep kinderfilosoof te professionaliseren. Zij heeft hierbij ‘levels’ opgesteld om kinderfilosofen in onder te verdelen. Het probleem was dat er geen duidelijke richtlijnen waren opgeschreven voor het concept kinderfilosoof binnen het CKN. Welk concept van kinderfilosoof voldeed aan de verwachtingen van het CKN die zij had bij het opstellen van de standaarden of levels die horen bij een sterke beroepsgroep?

Er bleek een praktijk te zijn waarbinnen impliciet kaders waren vormgegeven en tegelijkertijd waren er grote lijnen die uit de literatuur naar boven konden worden gehaald. Hoe verhield de literatuur binnen de kinderfilosofie zich tot de al bestaande praktijk waarin kinderfilosofen opereren?

In mijn onderzoek laat ik zien dat een vastomlijnd kader van een kinderfilosoof niet wenselijk is, maar ook niet past bij de beweging die de kinderfilosofie in deze tijd kenmerkt. Dat we niet een precies, onomstreden gemeenschappelijk kenmerk kunnen aanwijzen dat een kinderfilosoof exact omvat, betekent niet dat we niet via een andere manier haar concept kunnen vormgeven. Wittgensteins ‘meaning is use‘ en ‘taalspelen’ kwamen hieraan te pas.

Uiteindelijk heb ik een conceptueel kader kunnen creëren waarbij in mijn literatuuronderzoek een aantal kernbegrippen meer helderheid krijgen, waaronder de socratische/niet-wetende houding, de klassieke leraarshouding, inhoudelijke afwezigheid, autoriteit/gezag, veiligheid, verwondering, overwicht en kennis. In mijn praktijkonderzoek koppel ik deze kernbegrippen aan de verwachtingen die er waren binnen het CKN. Ik heb hiervoor een groepsinterview afgenomen onder vier bestuursleden/vrijwilligers van het CKN.

De resultaten van mijn bevindingen en het verslag dat hieruit is gerold wordt omgezet in artikelen voor op de site van het CKN. Op deze manier is er een duidelijke basis gecreëerd voor het centrum en voor de website. De artikelen kun je aankomende maanden lezen op www.kinderfilosofie.nl.

Het wordt donker maar morgen zal het weer licht zijn
In die laatste paar minuten waarin ik de zon onder zag gaan, kwamen licht en donker samen. Er was tijdsdruk, stress, innerlijke onrust, onzekerheid, ziekte en angst voor de toekomst. Allemaal muggen die ik soms wegsloeg, maar waar ik niet altijd de kracht voor had. Jeuk was het gevolg. Tegelijkertijd was er de trots, het harde werken, de filosofie, het CKN met haar mooie mensen, de discipline en natuurlijk de goede begeleiding van mijn scriptiebegeleider Leon Heuts.

De zon is onder, mijn studie aan de HTF voorbij
Het is donker, maar morgen zal het licht er weer zijn

Meer lezen over mijn laatste dag als student Toegepaste Filosofie? Klik hier

Afgestudeerd Toegepast Filosoof: Bo Kok op Boïsme

Afgestudeerd Toegepast Filosoof: Bo Kok op Boïsme

Mijn laatste dag als student Toegepaste Filosofie

Het geluid van mijn wekker dringt net iets sneller tot me door dan anders. Alsof mijn hand al lag te wachten om zanger Eloi van de band Kensington de mond te snoeren. Normaal is het zijn taak om me terug te brengen van een fantasievolle droomwereld naar een werkelijkheid vol to-do lijstjes. Die to-do lijstjes zullen voor even slinken. Vandaag komt er hopelijk witte rook uit de schoorsteen. 

Afstuderen in de filosofie
4,5 jaar geleden begon ik aan dit filosofische avontuur met een nieuwe liefde en al snel een Nieuw-Zeelands tussenjaar. Na hard werken mocht ik 7 maanden geleden beginnen met afstuderen. Het advies ‘blijf thuis’ kwam soms goed uit. Zonder kroegen, lezingen, festivals, filosofieworkshops, dagjes weg, verjaardagen en meer, lag de focus zonder enig schuldgevoel bij het schrijven van mijn scriptie.

Toch was het geen makkelijk proces. Opnieuw had ik moeite om mezelf niet voorbij te lopen. Vriendinnen vertelden over hun strubbelingen, vooral het gebrek aan discipline. Ik vertelde over mijn doorgeslagen werkdrift. Een half jaar lang ging op iedere vrije dag mijn wekker om 7.30, om vervolgens achter mijn laptop te kruipen en daar soms pas ’s avonds weer achter vandaan te komen. Ieder zijn eigen leerproces, dacht ik dan.

Later als ik groot ben
De laatste twee maanden vroegen veel mensen aan mij wat ik hierna ga doen. Ik vond dat een vervelende vraag. Alsof zij gemakkelijk over die hoge drempel heen konden stappen die ik nog over moest: het verdedigen van mijn scriptie. Alsof later altijd belangrijker was dan nu. Alsof ik al met één been over die drempel moest staan, mijn hand boven mijn ogen, turend in de verte.

Ik wilde nog niet weten wat er zou gebeuren als ik uiteindelijk over die drempel zou stappen. Als ik over dat muurtje heen zou klimmen, op de rand mocht gaan staan, een laatste keer om zou kijken naar mijn scriptiebegeleider en hij dan de legendarische woorden zou zeggen: ‘Spring maar Bo, de wereld ligt aan je voeten’.

Hoe nu verder?
Nu mijn verdedigingsgesprek nadert, weet ik het antwoord. Tijdens een van mijn vele wandelingen dacht ik namelijk aan het woord ‘later’. Ik besloot later niet nodig te hebben. Want zelfs als later verschijnt in het moment, zullen we haar niet meer herkennen. Later zal zich ieder moment aanpassen en vervormen. Ze zal ons doen verlangen naar een toekomst die wellicht nooit komt. Net als nostalgie ons kan doen verlangen naar een verleden dat er misschien wel nooit is geweest.

Maar voor de mensen die het toch willen weten. Ik heb mijn antwoord klaar. Het antwoord op de vraag wat ik ‘hierna’ ga doen. Hierna zal ik mijn zoete weekenddromen niet meer laten verstoren door de intieme klanken van Eloi zijn stem. Laat mij maar slapen. Zaterdag zal ik voor het eerst in lange tijd mijn wekker niet zetten.

Tot zover mijn later. Tot later.


Filosofisch interview met Barry Mahoney over Filosofieonderwijs in het vmbo, meningsvorming, filosofie, toegepaste filosofie, burgerschap, maatschappijleer

Interview Barry Mahoney “Alleen maar zeggen ‘dit vind ik’, is nooit genoeg”

Gepubliceerd in Phronèsis, het vakblad voor Toegepaste Filosofie
www.phronesismagazine.nl
Interview met lerarenopleider Barry Mahoney
Door: Bo Kok

Barry Mahoney leidt docenten Maatschappijleer op aan de Hogeschool van Amsterdam en studeerde Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij mag zichzelf sinds 2014 Socratisch Gespreksleider noemen en begint binnenkort met zijn PhD, waarin hij onderzoekt of het socratisch gesprek bij mbo-niveau 4-studenten leidt tot beter kritisch denken. Mahoney pleit voor filosofieonderwijs in het vmbo, vindt denkruimte creëren bij jongeren een vereiste en dwingt leerlingen verantwoordelijkheid te nemen voor het gesproken woord.

Filosofieonderwijs in het vmbo, meningsvorming, Barry Mahoney, interview, filosofie, toegepaste filosofie, burgerschap, maatschappijleer

Als docent op de HVA leid je toekomstige maatschappijleer docenten op. Hoe zou je jezelf omschrijven als docent en welke houding neem je daarbij aan?
“Ik ben een filosofische zeikerd. Een horzel, zoals Socrates ook wel wordt genoemd door zijn geniale, botte maar oprechte manier van waarheidsvinding. Socratisch zeiken is voor mij een houding die ik af en toe aanneem in mijn lessen, waarbij ik leerlingen even laat stoppen met wat ze aan het doen zijn, met wat ze denken. Wat gebeurt hier? Welke aannames doe je en welke argumenten heb je?

WAAROM LIGT DE NADRUK IN HET ONDERWIJS OP LEREN EN NIET OP DENKEN?

Ik probeer ze te leren kijken naar hun eigen gedachten en deze heel traag af te pellen. De meeste leerlingen ervaren op zo’n moment een aporie. Uit een bepaalde vraag komt niet altijd een bevredigend antwoord. Leerlingen raken verward en weten niet meer hoe het zit. Ze raken in verwarring over hun eigen ideeën. Eerst dachten ze zeker over iets te zijn, maar dat is opeens niet meer zo vanzelfsprekend. Het is een prachtig fenomeen om te zien bij die jongelui, waar ik ontzettend van kan genieten. Iemand die twijfelt, die blaast zichzelf niet op. Als je extreem bent, dan twijfel je niet.”

Je pleit voor filosofieonderwijs in het vmbo. Op dit moment wordt het vak filosofie alleen aangeboden op de havo en het vwo. Er heerst het stigma dat filosofie alleen voor denkers, geleerden of intellectuelen interessant is. Wat zou filosofie vmbo’ers kunnen bieden?
“Filosofie is het leren inzien dat gedachten tijdelijk zijn. Dat het constructies zijn. Voor alles wat je wilt leren, moet je eerst leren denken. Maar waarom ligt de nadruk in het onderwijs dan vooral op dat leren en niet op het denken? Denkruimte creëren is essentieel en daar is de socratische methode erg geschikt voor.

Uit internationaal onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat kinderen op het vmbo matig scoren op burgerschapcompetenties. Dit zijn 60 procent van onze leerlingen! En juist op het vmbo is er geen ruimte voor een vak als filosofie, waarbij leren nadenken, je mening kunnen beargumenteren en meerdere perspectieven kunnen zien, centraal zouden kunnen staan. Op havo/vwo leren kinderen bij maatschappijleer vooral kritisch denken en reflecteren op bestaande structuren. In het vmbo leren kinderen voornamelijk hoe je je hoort te gedragen in een samenleving. Dat laatste is toch niet wat je wil? Je wil leerlingen zelf leren nadenken, leren hun eigen mening te bekritiseren en leren dat woorden niet gratis zijn.”

“IEMAND DIE TWIJFELT, BLAAST ZICHZELF NIET OP.”

Bedoel je daarmee dat we verantwoordelijkheid moeten nemen voor wat we zeggen? Steeds vaker hoor je het pseudo-argument: ‘Dat is gewoon mijn mening’ en daarmee is het gesprek dan ten einde. Ook veel jongeren blijken goed te zijn in hun mening delen met de rest van de wereld, zonder met gegronde of goed onderbouwde argumenten te komen.
“Ja, tegenwoordig kun je zeer makkelijk wegkomen met ‘dat is gewoon mijn mening’. Maar zoals Hannah Arendt zegt, zijn woorden die in de buitenwereld terecht komen, direct een aanleiding om het erover te hebben. Leerlingen moeten leren verantwoordelijkheid te nemen over wat ze zeggen en als ze dat kunnen, dan doet wat mij betreft de inhoud er niet toe.

Van mij mag alles gezegd worden, zolang we er samen over kunnen praten en kunnen ontleden wat er achter een bepaalde opvatting schuilgaat. Alleen maar zeggen: ‘dit is gewoon wat ik vind’ is dus nooit genoeg. Als je een bepaald standpunt inneemt, bijvoorbeeld dat je tegen homoseksualiteit bent, dan zal je verantwoording moeten afleggen op basis van iets wat we met zijn allen kunnen testen. Hier komt het socratisch gesprek om de hoek kijken. Je zet een onderwerp neer en dat onderzoek je met elkaar. Niet op basis van alleen je eigen ervaring, want ik kan niet onderzoeken hoe jij dat hebt ervaren. Je doet uitspraken en op basis daarvan bepaal je met elkaar of dat logisch is of niet, waar of onwaar. Met elkaar kunnen we dat testen in een wereld die we samen delen. Want die gedeelde wereld, moeten we met elkaar zien vorm te geven.”

ZEGGEN: ‘DAT VIND IK GEWOON’ IS NOOIT GENOEG

Kun je uitleggen wat je zou doen als een leerling op een bepaalde opvatting reageert met ‘dit is gewoon mijn mening’?
“Afhankelijk van de leerling kun je reageren met: ‘Nou, dat vind ik een hele domme opmerking.’ Zodra die leerling daar dan op reageert, zeg je: ‘Ja, maar dat is gewoon mijn mening. Goed gesprek hebben we, hè?’ Of je zegt: ‘Ik vind jouw moeder een hoer, dat vind ik gewoon. Leuk gesprek, moeten we vaker doen!’

We willen zo graag dat onze kinderen een mening vormen, terwijl het soms beter is als je helemaal nog geen mening hebt. Als je even een stapje terugzet en kunt kijken naar wat er nu eigenlijk gebeurt. Dat gaat niet vanzelf, daar moeten leerlingen in getraind worden.”

Hoe zie je filosofieonderwijs in het vmbo voor je?
“Filosofie kan best een invulling van burgerschap zijn. Een reeks filosofielessen bij maatschappijleer bijvoorbeeld. Filosofie hoeft niet per se een los vak te worden in het vmbo, er zou binnen verschillende vakken aandacht aan besteed kunnen worden. Ik zie filosofie en leren denken meer als een opdracht, zoals je ook kinderen sociale vaardigheden leert. Het gaat erom dat kinderen meer bedachtzaam het onderwijs verlaten. En niet alleen maar vol met kennis. Liever allebei. Kunnen denken is zo belangrijk.”

Je beschrijft jezelf op LinkedIn als horzel. Zouden er volgens jou meer ‘horzels’ rond moeten lopen in de samenleving? Mensen die steken, die bevragen, niet alles aannemen, die filosofisch zeiken?
“Ik heb daar eigenlijk nooit zo goed over nagedacht. Interessant is het wel. Op LinkedIn vind ik het erg leuk om voor horzel te spelen. Tegen mijn leerlingen zeg ik vaak ‘Op LinkedIn zei ik laatst…’ Dat is nu echt een running gag geworden. Laatst had ik op LinkedIn een discussie met de organisatoren van de black achievement month, waarin allerlei zwarte sleutelfiguren uit het verleden onder de aandacht worden gebracht bij een breed publiek. Ik vroeg: ‘Wanneer is iemand volgens jullie zwart? Zijn mijn zoons zwart met een Surinaamse moeder en een witte vader? Wat verstaan jullie precies onder zwart?’ Ik begrijp de hele beweging heel goed en heb respect voor de dingen die zij organiseren, maar ik wil dat er wordt nagedacht over hoe je dingen inkadert. Als ze er niet uitkomen, is dat niet erg, als ze maar die denkruimte pakken.

ALS WE ALLEMAAL HORZELS WAREN, ZOU DAT DOODVERMOEIEND ZIJN.

Ik denk dat iedere organisatie wel een horzel kan gebruiken maar ik zou niet durven zeggen of het er meer moeten zijn. Een vriend van mij is een nog grotere filosofische zeikerd dan ik en bevraagt echt alles. Dan denk ik wel eens: je hoeft niet alles te bevragen, soms wil ik ook gewoon even iets zeggen. Als we allemaal horzels waren, zou dat doodvermoeiend zijn. Het gaat om een mix van mensen. Mensen die prikkelen, mensen met een sterke mening, mensen die overal aan twijfelen en mensen die irriteren. We hebben ze allemaal nodig.”


Wat voor type reiziger ben jij? Reis je meer met gevoel of met je verstand?

Reizen we om onszelf te vinden, als puur vermaak of willen we er ook echt iets van leren? Is reizen eigenlijk een zoektocht naar je ware zelf of heeft het vooral als doel kennis te vergaren? Nog niet zo heel lang geleden waren er twee grote stromingen actief in Europa met een totaal verschillende visie. Deze visie herkennen we vandaag de dag nog steeds in onze eigen idealen en gedachten.

Nog geen 300 jaar geleden moest er tijdens het reizen kennis opgedaan worden. Het gebruik van de rede en daarmee het kennistijdperk laat haar eerste sporen na aan het eind van de 17e eeuw. Het was het begin van wat we nu ook wel ‘De Verlichting’ noemen.

De Romantiek zette zich af tegen de Verlichtingsidealen en liet meer ruimte voor het gevoel en de emotie. Reis in deze blog mee terug naar het tijdperk van de Verlichting en de Romantiek en ontdek wat voor type reiziger jij bent!

De verlichtingsreiziger
1. De verlichtingsreiziger reist met een doel
“Het mooie Zuid-Engeland wacht! Je hebt je goed voorbereid en ingelezen, op ViaElla.nl kwam je een mooie inspiratiegids tegen en je hebt al helemaal een idee wat je wilt gaan ondernemen. Reizen beschouw je als een tijd van leermoment na leermoment.”

De verlichtingsreiziger is een cultuursnuiver, leergierig en geïnteresseerd in wat er om haar (of hem) heen gebeurt. Als ze de Cotswolds wilt ontdekken, verwondert ze zich niet alleen over de idyllische cottages en prachtige gele gevels, maar ze drinkt ook een lokaal biertje met een local en verdiept zich in de geschiedenis van de historische kastelen en eclectische landhuizen die het zuiden van Engeland zo typeert. Niet het reizen zelf is het doel, maar de bestemming.

2. De verlichtingsreiziger gebruikt zijn verstand
De Verlichting was een cultureel-filosofische stroming waarbij er ruwweg rond de 18e eeuw een verandering in het denken plaatsvond. Vóór deze tijd bepaalde godsdienst de manier van denken en was het geloof het centrale punt in ieders bestaan. Rond 1650 verschoof dit centrale punt van godsdienst naar kennis. Dankzij kennis zou alles beheersbaar worden en met behulp van de ratio (de rede, het verstand) zou men de waarheid vinden.

Je reisde dan ook slechts met een doel. Het ontdekken van nieuwe plekken, het rondtrekken als handelaar of het leren van andere volkeren stond centraal. Reizen was lang niet zo makkelijk als nu, maar ook op dit moment zijn er veel reizigers die maandenlang één land (of soms zelfs dorp) willen ontdekken. Of die de geschiedenis van een bepaalde streek niet oppervlakkig willen kennen, maar zich er echt in vastbijten.

3. De verlichtingsreiziger zoekt naar ‘praktisch nut’
Een belangrijk verlichtingsideaal is dat alles ‘praktisch nut’ moet hebben. De verlichtingsreiziger heeft dan ook, als ze thuis is en terugkijkt op haar reis, het gevoel dat de reis ‘nut’ heeft gehad.

De romantische reiziger
1. De romantische reiziger maakt een reis naar binnen
“Stel je eens voor: je kijkt op de klok en de laatste minuut van je werkdag is ingegaan. Je ruimt alvast je spullen op, pakt je jas van de kapstok en zegt je collega’s gedag. Je vakantie is begonnen! Eindelijk is de tijd daar om voor even te ontsnappen aan de alledaagse sleur en aan de maatschappij waar je in leeft.”

De romantische reiziger verzet zich tegen bestaande normen en gaat vooral op reis om ‘zichzelf’ te vinden. Door weg te gaan, maakt ze een reis naar binnen. Tijdens een prachtige wandeling in Zuid-Engeland langs het geliefde South West Coast Path, komt ze met elke stap dichter bij zichzelf. Opzoek naar ultieme vrijheid, is bij de romantische reiziger de weg belangrijker dan het doel.

2. De romantische reiziger hecht waarde aan emotie en intuïtie
De Romantiek was eind 18e eeuw voornamelijk een tegenreactie op de Verlichting. Met het wetenschapsdenken en het rationele brein dat de overhand had genomen, nam de Romantiek de subjectieve ervaring (intuïtie, emotie, spontaniteit, kunst en verbeelding) als uitgangspunt. Die subjectieve ervaring kwam altijd van het individu, waardoor het individualisme een enorme groei doormaakte.

De romantische reiziger trekt er dan ook graag alleen op uit. Niet alleen om dichter bij zichzelf te komen, maar ook om zich volledig onder te dompelen in een andere wereld.

3. De romantische reiziger wilt terug naar de natuur
Romantici wilden het liefst terug naar de oorspronkelijke, ongerepte natuur. Naar de onaangetaste landschappen van vóór de Industriële Revolutie. Het liefst ervaart de romantische reiziger een intense vrijheid in immense natuurgebieden met afwezigheid van de eigen soort.

Er is een continue gedachten dat vroeger alles beter was. Dat verlangen naar vroeger en naar een vrijheid die er misschien wel nooit was, gaat diep en heeft een mystiek en religieus element in zich. Niet voor niets worden er op dit moment enorm veel spirituele, filosofische en mystieke groepsreizen aangeboden om dit verlangen (deels) te vervullen. Het geluk wordt gezocht in de geest, de fantasie, de mystiek. Een vlucht voor het intense lijden dat de rauwe eigentijdse werkelijkheid teweegbrengt.

En nu?
Vandaag de dag hebben wij nog steeds te maken met sterke verlichtingsidealen of juist met het verzet van de romantici tegen deze waarden. Interessant daarbij is te kijken naar onszelf in deze tijd.

Hoe ben jij gevormd en gekneed door deze twee stromingen? Ben je door elkaar gehusseld en een combinatie van beide? Of hang je sterk naar één kant? Misschien nog wel interessanter: Herken je periodes in je leven waarbij je meer een romantische denker was terwijl je nu meer neigt naar het verlichtingsdenken?

Bewustwording door middel van reizen
Reizen is een bijzondere manier om je bewust te zijn van je eigen gedrag en handelingen. Om kennis op te doen, locals te ontmoeten en cultuur te ‘snuiven’ maar zeker ook om op te laden, over jezelf na te denken en te genieten van kunst en mystiek.

Of om simpelweg urenlang op een bankje te zitten met de steile krijtrotsen van Dover voor je, die uittorenen boven de woeste blauwe zee, met witte schuimkoppen die onuitputtelijk hun krachten tonen. De zon die je langzaam ziet verdwijnen in zee. Niet omdat het moet, maar omdat zowel de ervaring als de kennis zo prachtig in elkaar lijken te schuiven tijdens een bijzonder mooie reis.


Kinderen leren volwassenen kijken, niet andersom

Dit artikel heb ik geschreven voor www.opanoma.nl

Ik sta op het schoolplein want ik heb zogeheten pleinwacht. De kinderen gebruiken dit half uur duidelijk om uit te razen. Ze rennen, springen en schreeuwen door elkaar, een meisje valt en een jongen helpt haar omhoog. Eva komt aanlopen en pakt mijn hand: ‘Juf, juf! Kom eens kijken. Wat ontzettend bijzonder niet?’ Ze wijst naar het klimrek en rechtsboven in de hoek is een spin bijna klaar met het spannen van zijn web.

Een regenboog van kleuren
Een lichtstraal valt precies door het web heen en weerkaatst het licht waardoor onze ogen verschillende kleuren waarnemen. Zoals de ogen van Eva glimmen, zo krijgen mijn ogen voor even dezelfde glans. Mijn mondhoeken gaan omhoog en ik verwonder mij net zo over dit mooie tafereel als de kleine Eva van 6. Ik moet denken aan Jean-Jacques Rousseau (1712-1778). De Franse filosoof stelde dat kinderen niet worden belemmerd door vooringenomen kennis en daardoor de wereld aanschouwen met een ‘ongecorrumpeerde blik’. Het jonge kind kijkt onbevangen de wereld in met een fascinatie voor het onbekende, het kleine en gedetailleerde. Zoals Rousseau het treffend verwoordde: ‘Kinderen leren volwassenen kijken, niet andersom.’

Filosoferen kun je leren
Ik luid de bel en alle kinderen verzamelen zich voor de ingang van de school. Het is tijd voor mijn filosofieles voor groep 3/4. De redeneringen van kinderen zijn vaak origineel, verrassend, ontroerend, creatief en bijzonder. Ze leren beter naar elkaar te luisteren, vragen aan elkaar te stellen, onder woorden te brengen wat ze denken, hun eigen ideeën te uiten, hun mening te formuleren en hun mondelinge taalvaardigheid groeit.

Heeft alles een voor- of achterkant?
Na driekwartier les te hebben gegeven, gaan we samen met de klas het gesprek aan over de volgende vraag: ‘Heeft alles een voor- of achterkant?’

Vincent, een wijs mannetje met een bril, probeert een antwoord te formuleren: ‘Ik denk dat niet alles een voor- of achterkant heeft. Sommige woorden kunnen dat niet hebben. Zoals ‘het leven’. En terwijl hij dit zegt, hoor ik zijn hersens kraken. Hij kijkt bedenkelijk, knijpt zijn ogen tot spleetjes en zegt: ‘Ja, natuurlijk kun je zeggen dat het leven een voorkant heeft want we worden geboren en dat zou dan de voorkant kunnen zijn. Maar de dood is toch geen achterkant? Daar zijn andere woorden voor. Juf, sommige dingen hebben geen voor- of achterkant.’

7 jaar en ik wil spontaan in mijn handen klappen van geluk. Ik beheers me. Het is moeilijk om een gesprek niet te sturen, geen goedkeuring te geven, niet eens te knikken om te laten zien dat je het met ze eens bent. Als filosofiejuf sta ik niet met mijn vingertje te wijzen, geef ik niet mijn eigen mening en probeer ik zo min mogelijk het gesprek te sturen.

Een tweede reactie
Fenna, een meisje dat geen blad voor de mond neemt, kwam met het antwoord dat bomen geen voor- of achterkant hebben. Olivia reageerde daarop met: ‘Maar Fenna, als jij voor een boom staat, dan is de kant waar jij tegenaan kijkt toch de voorkant? En als je dan een half rondje om de boom loopt, dan is dat opnieuw de voorkant! Zowel de voor- als achterkant wisselt dus steeds bij de boom!

Het is even stil en dan vraag ik aan Olivia: ‘Heeft een boom dus geen achterkant?’ Olivia zucht en draait met haar ogen zoals alleen jonge kinderen dat kunnen zonder arrogantie of ergernis op te roepen. ‘Ja, natuurlijk wel. Alleen die zullen we nooit kunnen zien.’

Voor even ben ik beduusd. Maar dat gevoel maakt al snel plaats voor verwondering. Wat is het bijzonder om met jonge kinderen te praten en van ze te kunnen leren. Hoe de ogen van een achtjarige de wereld rondspeuren opzoek naar eigen wijsheid en logica.

Opgesloten in een doos maar niet vastgeroest
Als volwassenen zitten we al vast in een doos, een kader van waaruit we moeten denken. En natuurlijk, die doos kan enorm groot zijn, maar uit die doos stappen kunnen we nooit meer. Het is ons referentiekader; het zijn onze herinneringen, gedachten, denkpatronen.

Mijn doos heeft aan de voorkant (als die voorkant al bestaat) een rond gaatje. Als ik daar doorheen gluur op dagen zoals deze, dan vang ik een glimp op van de onwetendheid, de onbevangenheid en de verwondering die kinderen zo kenmerkt. Het helpt mij om mijn doos af en toe te kunnen draaien, te kunnen verplaatsen. Zodat het niet vastroest en omdat ik weet: Kinderen leren volwassenen kijken, niet andersom.