Zijn alle bruine beren bruin? Filosoferen over (on)zekere kennis
Als kinderfilosoof filosofeer ik iedere week op twee basisscholen met kinderen. Deze week leerden de kinderen de jongere Bo kennen. Groep 7/8 had de NIO toets en ik wilde hierop aanhaken. Begeleid door een PowerPoint vertelde ik over de jonge Bo. Het blonde meisje had met de NIO voor haar neus nagedacht over de vraag: Hoe weet ik eigenlijk zeker dat dat wat ik geleerd heb, echt waar is?
Er bleek een aparte tak in de filosofie te zijn die we kennistheorie noemen. Daar wordt nagedacht over de vraag: ‘Wat weten we eigenlijk zeker?’
Ik maakte een dansje in de klas. ‘Horen jullie wat ik zeg?’ vroeg ik met ingehouden adem. ‘Ik dacht hier al over na in groep 8! En het bleek gewoon een onderdeel te zijn van de filosofie!’
Wat weten kinderen zeker?
De kinderen kregen de opdracht een opsomming te maken van dingen die ze zeker zouden weten. Direct begonnen de kinderen in de groepjes te discussiëren. Want hoe wist je eigenlijk zeker dat de aarde rond was? Honderden jaren hadden mensen ook geloofd dat deze plat was.
‘Ik weet zeker dat ik leef,’ zei een meisje uit groep 7, waarop haar buurjongen gelijk zei: ‘maar wat als je nu droomt? Hoe weet je dat je nu niet droomt?’
Het meisje antwoordde: ‘Ik moet leven om te kunnen dromen, dus ik weet nog steeds zeker dat ik leef.’ Een tweede jongen kwam zich ermee bemoeien. ‘Misschien ben je wel een computer die denkt dat ie mens is en leeft!’
100% zeker dat ik niks zeker kan weten
Van de tien klassen die ik elke week lesgeef, was er in iedere klas minstens één iemand die zei: ‘Ik weet niks zeker juf. Er is niks wat je zeker kunt weten.’ Ik probeerde dan bedenkelijk te kijken en zei tussen neus en lippen door: ‘Weet je dat zeker?’
Vaak was dan het antwoord: ‘Ja, dat weet ik heel ze…. OH! IK WEET ZEKER DAT IK NIKS ZEKER WEET.’
Sommige kinderen gingen nog verder zonder mijn verdere hulp en zagen direct de innerlijke tegenspraak. ‘Ik kan dit niet opschrijven juf, want dan komt ie op het lijstje wat ik zeker weet maar er staat dat je niks zeker kan weten dus dan klopt het niet.’
Opdracht
Nadat ik een lijstje op het bord had gemaakt met allemaal dingen die we zeker wisten en we hadden nagedacht over hoe we zulke dingen zeker konden weten, hebben we nog een korte opdracht gedaan. Ieder groepje kreeg van mij kaartjes met daarop stellingen als:
– Alle bruine beren zijn bruin
– Alle mensen hebben een hart
– Mijn bed staat in mijn slaapkamer
– Ik zit op school
– 2 + 2 = 4
– Iedereen vindt snoep lekker
De kinderen moesten drie stapeltjes maken:
Dit weten we niet zeker, dit weten we een beetje zeker en dit weten we heel zeker.
Ik ben een absoluut voorstander van goed reken- en taalonderwijs. Maar dat wil niet zeggen dat we niet ook vakken kunnen aanbieden waarbij het eens niet gaat om ‘goed’ of ‘fout’. Iedere stelling kan namelijk in alle vakjes worden geplaatst, mits en alleen mits de redenering logisch en correct is.
Alle bruine beren zijn bruin
Tom: ‘Niet als een beer in de verf of modder rolt en je helemaal geen bruine vacht meer ziet.’
Thomas: ‘Heel zeker als je puur kijkt naar de taal. Bruine beren zijn beren die bruin zijn, dus alle bruine beren (beren die bruin zijn) zijn bruin.’
Anke: ‘De bruine beer is een ras. Als twee bruine beren een albino krijgen, dan hoort de albino nog steeds bij het ras bruine beer, maar hij is wit.’
Minimalisme ammehoela
Twee weken geleden zijn we verhuisd. Onze oude huurwoning ging met €450,- per maand(!) omhoog. (Ja inderdaad, om je schoen bij op te eten als je überhaupt nog geld over hebt om nieuwe schoenen te kopen.)
Een nieuwe trend
Verhuizen zet je altijd aan het denken over de hoeveelheid spullen die een mens nodig heeft of belangrijk acht.
Jaren geleden verdiepte ik mij in ‘minimalistisch leven’, een hype die uitgaat van het ‘less is more’ principe: alleen datgene bewaren wat belangrijk voor je is en dat verwijderen wat je daar niet bij helpt. Een mooi principe leek me.
Ontspullen was voor mij een manier om meer overzicht te creëren in mijn hoofd. Maar zoals met alles het gevaar is, zag ik het bij sommige minimalisten doorslaan. Van de behoefte aan rust en meer ruimte, schoot de voortdurende drang te ontspullen door naar een obsessie met minder, met leegte, met weggooien.
Het kan ook te gek
Ik sprak met een man van middelbare leeftijd. Zo eentje die na goed geld te hebben verdiend en zijn longen naar de kanker toe te hebben gerookt, zijn leven ineens 180 graden veranderde. Bezig zijn met de gezondheid verving zijn rookverslaving en daar kwam natuurlijk na fysieke inspanning ook de mentale bij. Het hoofd moest opgeruimd. En dus het huis ook.
De man had al zijn oude (liefdes)brieven, dierbare foto’s en belangrijke kaarten van vrienden weggegooid met het idee dat de taak van die brief, kaart of foto was volbracht. Ik kon mijn schoen er wel bij opeten zo verbaasd was ik (maar ja, geen geld voor een nieuw paar eh, vanwege onze huur nu. Die is namelijk ook niet laag ofzo 😉 ).
Doorgeslagen idioten
Want waarom zou je een mooie foto of lief geschreven kaart met emotionele waarde weggooien? De man redeneerde als volgt: Degene die het geschreven heeft, weet het inmiddels toch niet meer. Het ‘ding’ heeft zijn taak toen volbracht, het moment is voorbij.
Het stuitte me tegen de borst. En niet zo’n beetje ook. De herinnering, het pijnlijk falende geheugen van ons als mens, het verlangen en de fantasie waren delen in mij die niet wilde afsterven voor ‘het hier en nu’. Rot op met je hier en nu. Ik wil soms kunnen vliegen naar een wereld die niet bestaat, naar een verleden die niet heeft bestaan en naar een toekomst die nooit komen gaat. Laat mij maar dromen.
Laat mij maar verzamelen
Ook al ben ik een voorstander van ontspullen en een opgeruimd hoofd,
daarboven staan altijd nog de ideeën, de creativiteit, de dromen en de verhalen.
Laat maar op mij neerdalen.
Laat mij maar verdwalen.
In de herinneringen die wij door middel van kaarten, foto’s en brieven bij elkaar naar boven halen.
Aangezien we uiteindelijk zonder te kiezen,
het leven,
naar behoren geleefd of niet,
toch zullen verliezen.
PS. De bijzondere schelp op de foto, gevonden in Nieuw-Zeeland, ligt nog steeds in mijn badkamerkastje niks te doen. Nou en. Hij vindt het heel fijn in ons kikkerlandje en ik vind het gevoel wat ik krijg als ik ‘m daar, helemaal geel en met zijn gekke vorm, zie liggen ook heel erg fijn.
Sorry lieve vrienden en familie die ons hebben geholpen met verhuizen. Al onze boeken, kaarten, brieven, foto’s, hobby-spullen en onnodige schelpen hebben jullie omhoog getild. Mega bedankt, want doorgeslagen minimalisme, ammehoela.


Voor het eerst aan de wodka
Sommige mensen zijn in alles ietsje later. Later met lopen, later met praten, later met leren, verlaat in de puberteit of later seksueel actief. Bij mij komt daar nog later of eigenlijk ietwat trager in begrip bij kijken (niet per se handig bij goede grappen).
Nuchter of dronken
Ik ben vaak een laatbloeier genoemd. Gek genoeg vond ik dat altijd een beetje apart, aangezien ik tegelijkertijd te horen kreeg dat ik mijn leeftijdsgenootjes qua interesses en denken ‘vooruit was’. Dat botste. Wie was ik nou? Kon het niet wat duidelijker?
Leven wilde maar geen helderheid verschaffen, eenduidigheid bleek niet te bestaan. En dus snapte ik niks van mensen die maar wat graag die roes van onduidelijkheid opzochten en de volgende dag met een smile van oor tot oor verkondigden dat ze zich niks meer konden herinneren van de vorige avond. Tot zover je ‘leuke’ avond, dacht ik dan.
Het Utrechtse nachtleven
Gisteren zat ik in de kroeg met een vriend van de studie. In de knappe stad Utrecht. De sfeervolle kroegen vol met studenten ademden de zweterige geur van nostalgie. Ik genoot voor 7. Want 7 jaren lang had ik alcohol als een vijand beschouwd. Als opium; een bedwelmend genotsmiddel.
Ik vergeleek de giftige stof altijd met een oude, eenzame man die langzaamaan de bomen kapt in zijn tuin en de bossen daaromheen.
Alcohol doodt meer dan je lief is
Iedere slok waarmee mijn hersencellen werden gedood, voelde voor mij als het omhakken van een boom, terwijl ik alle bomen nodig had om de wereld mee te kunnen zien. Om in de bomen te kunnen klimmen en vanuit nieuwe perspectieven de wereld te kunnen aanschouwen. Daarnaast gaven die bomen mij zuurstof en een vorm van helderheid, terwijl (de angst voor) alcohol mij vaker de adem en het zicht benam.
Sorry mam
Gisteren is die oude houthakker in mij overleden. En met hem de angst voor verdovende, verslavingsgevoelige middelen. Misschien verontrustend voor mijn moeder, maar voor de rest best een mooie ervaring voor een laatbloeier. Als laatbloeier sla je namelijk niet bepaalde fases of ervaringen over, je beleeft ze alleen nadat de meeste andere mensen het (voor het eerst) ervaarden.
Conclusie:
Wijn is niet mijn ding (geen rood of wit, zoet of droog, fruitig of chocolade-achtig). Whisky doet pijn aan mijn lippen, tong en keel en een shotje wodka ga ik bijna van over mijn nek. Een fruitbiertje is helemaal prima en dansen in de regen om 1 uur ’s nachts ook.
Want voor even maak ik mij, terwijl het giet van de regen, niet druk om de grote druppels die mijn zicht via mijn bril belemmert en heeft die afgenomen helderheid gezorgd voor een nieuwe kijk op vriendschap.
PS.
Voor mijn grootste fan: Neem de blog met een korreltje zout mama (en een lekkere tequila met wat citroen) en bedenk je dan dat het jouw moeder was die mij leerde te proosten op het leven. Dat heb ik vannacht gedaan. Ik heb geproost op het leven. Amen.
Kun je vrienden worden met een robot?
Kun je vrienden worden met een robot?
Deze week filosofeerden we over vriendschap. Aan het begin van de les liet ik een filmpje zien over verschillende katten die reageren op een robotkat. Er werd met elkaar nagedacht of katten vrienden kunnen worden met een robotkat.
Vervolgens introduceerde ik nogmaals het woord gedachte-experiment. Mijn eerste les had in het teken gestaan van het gedachte-experiment en ik wilde dit nogmaals uitleggen en herhalen. Ik liep de klas uit en sloop daarna geheimzinnig de klas in.
Aan mijn hand had ik namelijk een mensenrobot meegenomen. Ik zette hem op tafel neer, vroeg de kinderen of ze hem allemaal voor zich konden zien en of ze met deze robot bevriend zouden kunnen worden. Stel je eens voor dat deze robot kon praten, kon bewegen en even groot zou zijn als jullie.
Zou je dan vrienden kunnen worden met mijn robot?
Een stukje uit het gesprek met groep 7/8
Jongen uit 7/8: ‘Nee, want een robot gedraagt zich niet als een mens.’
Ik: ‘Wat doet of heeft een robot dan niet, wat een mens wel doet of heeft?’
Hij: ‘Een robot heeft geen mening. En ik zou geen vrienden kunnen zijn met iets dat geen mening heeft.’
Ik: ‘Stel je nu eens voor dat ik mijn mening programmeer in de robot. Zou je dan wel vrienden kunnen worden met de robot?’
Hij: ‘Nee, want het is niet zijn eigen mening.’
Ik: ‘Ahaa, dus jij kan vrienden worden met iets als het een eigen mening heeft. Niet zomaar een mening, maar een eigen mening.’
Hij: ‘Ja. En hij mag het niet altijd met mij eens zijn. Dat zou ik niet leuk vinden.’
Meisje dat hierop reageert: ‘Ik ben het daar niet mee eens want het is toch juist leuk als de robot doet wat jij wil.’
Ik: ‘Geldt dat ook als de robot altijd doet wat jij wil?’
Zij: ‘Nee, niet altijd. Maar vaak wel.’
Ik: ‘Wanneer niet dan?’
Zij: ‘Het kan saai worden als de robot altijd maar doet wat ik wil. Maar het grootste gedeelte van de tijd zou het wel leuk zijn.’
Ik: ‘Kun je een voorbeeld geven van een situatie waarbij je zou willen dat hij op dat moment iets anders doet dan dat je op het moment zelf zou willen?’
Zij: ‘Dat weet ik niet echt.’
Ik: ‘Kan iemand anders haar helpen? Is er een voorbeeld te bedenken waarbij we zouden willen dat de robot iets anders doet dan dat we in eerste instantie zouden willen en dit toch best fijn of belangrijk is?’
Een stukje uit het gesprek met groep 5
Meisje uit groep 5: ‘Ik zou wel vrienden met de robot kunnen zijn als hij met mij speelt.’
Ik: ‘Het is voor jou dus belangrijk dat iemand samen wil spelen, want dan kun je vrienden met diegene worden.’
Zij: ‘Ja. En hij moet ook aardig zijn.’
Ik: ‘Dus hij moet én met je spelen én aardig zijn.’
Zij: ‘Ja. En hij moet mijn geheimen niet doorvertellen, want dan ben je mijn vriend niet meer.’
Jongen die hierop reageert: ‘Maar dan mag jij ook zijn geheimen niet doorvertellen. Want je moet wel allebei dan goed geheimen kunnen bewaren. Het is niet zo dat de robot jou niet mag schoppen en jij dan wel de robot mag schoppen. Dan zou de robot geen vriend meer met jou willen zijn.’
Ik: ‘Dus eigenlijk moet vriendschap met een robot van twee kanten komen. Zowel de robot als jij moeten beiden vrienden met elkaar willen zijn.’
Hij: ‘Ja.’
Ik: Geldt dit ook voor een mensenvriend?
Zij: ‘Ja, bij een mensenvriend wel. Maar een robot leeft niet. Ik bepaal zelf of hij mijn vriend is dus de robot hoeft mij niet te zien als vriend.’
Vriendschap
Zonder dat de kinderen het bewust doorhadden, zijn we deze week bezig geweest met het concept vriendschap. Wanneer noem je iemand een vriend? Waarom zou je wel of geen vrienden kunnen zijn met een robot? Waar moet een robot aan voldoen om jouw vriend te kunnen zijn? Geldt dat ook voor je vriendjes in de klas? Wat zijn voor jou belangrijke voorwaarden van vriendschap?
Filosoferen op school met juf Bo
Het uitdiepen van concepten stimuleert niet alleen de taalontwikkeling maar laat kinderen ook nadenken over hun eigen voorkeuren. Wat vind ik belangrijk? Het kunnen formuleren van je eigen gedachten en deze aanscherpen gebeurde mooi bij de jongen in groep 7/8 die een eigen mening belangrijk vond en niet zomaar een mening.
We zijn nu eenmaal mensen die alles wat we horen en zien moeten interpreteren. Bij dit interpretatieproces ontstaan regelmatig misverstanden. Het is mijn drive en mijn wil om kinderen te leren hun eigen gedachten beter onder woorden te brengen. Om daarmee te oefenen. Om vervolgens beter begrepen te worden en daarmee het zelfvertrouwen, een positief groepsgevoel en het taalvermogen van leerlingen een enorme boost te geven.
Ongemak dient de mens
Het benauwt me als ik bij een vriendin binnenkom en ik na een tijdje merk dat ze alles in huis heeft wat haar hartje begeert. Wanhopig zoeken mijn ogen naar enig vorm van onbehagen. Een scheef kastje, een kras op de muur, een lekkend raam of een schilderij dat niet waterpas hangt.
Wat doet een huis, waarin alles zo perfect is ingericht en er van ongemak bijna geen sprake kan zijn, met mij? Waar komt de paniek die ik op zo’n moment kan voelen vandaan?
Mijn huis als grotere ik
Misschien is een huis voor mij een weerspiegeling van het mens zijn. Ik voel me niet op mijn gemak in huizen waarin het lijkt of ik een tijdschrift in ben gestapt. Waarbij ik bang ben te morsen op de bank of ieder krasje op de tafel te zien is.
Misschien wil ik op de plek waar ik woon, het onbehagen proeven dat ik als mens ook ervaar. In een onvolmaakt huis wonen, omdat ik zelf zo onvolmaakt ben als maar kan.
Verlangen als doel en niet als middel
Daarnaast wil ik kunnen blijven verlangen. Verlangen naar een plek waar ik niet aanhoudend koude voeten heb zonder sloffen. Waar niet de sigarettenlucht van de buren door de afzuigkap mijn woonkamer in drijft. Of de eeuwig langsrazende toeterende auto’s mij niet meer afleiden.
Ironisch genoeg ben ik juist bang voor zo’n plek waar niks meer te verlangen valt. Want wat dan? Dan is het verlangen vervuld en what’s next? Nog groter? Nog meer geld? Nog meer vakantie? Nog meer angst om te verliezen wat je hebt?
Found it!
Aaaah, daar heb je het! Finally! De onderliggende gedachte. De kern van het probleem. Als mensen veel waardevolle bezittingen hebben, dan zijn ze banger om al die zaken te verliezen. En dat is best logisch. Als je niks hebt, kun je ook niet zoveel verliezen. Als je veel geld hebt, kun je ook veel geld verliezen.
Het is een van dé redenen die verklaart waarom mensen in rijke landen angstiger zijn. Waarom mensen die eigenlijk niks te klagen hebben, toch op een partij als de PVV stemmen. Omdat ze bang zijn dat te verliezen wat ze hebben verworven. Omdat vluchtelingen anders hun banen en huizen inpikken.
Bang voor het bang zijn
In plaats van bang te zijn dat te verliezen wat ik heb, ben ik grappig genoeg bang voor de angst die komt kijken bij het leven in luxe en comfort.
Bang voor de angst om niet meer zonder datgene te kunnen waar je je zo aan hebt gehecht en waar je eerst ook prima zonder kon (een nog duurdere auto, een robotstofzuiger, een elektrische fiets, drie dezelfde (dure) jurken in een andere kleur, een föhn van Dyson, dat ene gouden horloge, een zeer prijzig koksmes, een caravan-mover, de nieuwste Iphone, een grote tuin, etc.).
Een vlekje op de muur
En ja, misschien is bang zijn een groot woord. Ik wist alleen dat er iets uit mij moest, toen ik met mijn hand langs de door lekkage bruin geworden vlek streek op de muur. We moeten namelijk deze woning uit.
Mijn ogen vallen liefkozend op het scheve kastje en de gebroken tegels in mijn keuken, op de toiletrolhouder die continu van de muur afvalt en de wc-rol die, als gevolg daarvan, nu al een tijdje op het prullenbakje staat.
Ik ril en kijk op de thermometer. 18,5 graden. Ik doe mijn dikke trui aan en haal mijn schouders op. Prima temperatuur.
'Bloemkool, doet het pijn om uit de grond te worden getrokken?'
Deze week begon het filosoferen met de groepen 5 t/m 8. Het onderwerp? Een pratende bloemkool. Raar? Zeker. Nieuw? Dat ook. Grappig? We hebben wat afgelachen!
Een pratende bloemkool
De klassieke eerste les in de kinderfilosofie is de les met de bloemkool. Ik kon niet achterblijven en dus kwam ik, gewapend met een roze box met daarin een bloemkool onder mijn arm, de klas binnen.
Na een korte inleiding over wat filosoferen precies inhield, konden we aan de slag. Je kunt het beste ervaren wat filosoferen is, door het te doen. Ik vertelde de klas dat in de grote roze doos een pratend ding zat. Terwijl ik de doos opende en de bloemkool eruit haalde werd er bij het zien van de bloemkool gelachen, gegild, met de ogen gerold en sommige mini-filosoofjes begonnen direct met creatief denken. Ze probeerden manieren te verzinnen waarom ik dit een pratende bloemkool noemde.
Het gedachte-experiment
In de filosofie is het ‘gedachte-experiment’ een belangrijke tool om na te kunnen denken over dingen die in het echt misschien niet kunnen, maar die het denkvermogen wel kunnen oprekken. Vanuit je luie stoel, kun je op deze manier tot nieuwe kennis komen. Vaak begint een gedachte-experiment met: ‘Stel je eens voor dat…’
Zo ook in mijn filosofieles: ‘Stel je eens voor dat deze bloemkool kon praten, wat zou je ‘m dan willen vragen?’
Vragen durven stellen
Er werd veel gegiecheld, gelachen, gespeeld en ontdekt. En dat was juist de bedoeling. De kinderen durfden zich te laten verwonderen en durfden het vanzelfsprekende te bevragen:
‘Bloemkool, doet het pijn als je uit de grond wordt getrokken?’
‘Bloemkool, hoe zou jij kunnen weten welke kleur je bent?’
‘Bloemkool, hoe voelt het om steeds verder uit elkaar te worden gehaald?’
‘Bloemkool, wat was je belevenis in de roze doos?’
‘Bloemkool, hoe lang ben je een zaadje geweest?’
Er bestaan verschillende soorten vragen
Ik wilde de kinderen in deze eerste les direct kennis laten maken met het denkgereedschap gedachte-experiment. Bijkomend leerdoel was dat de kinderen het verschil leerden tussen een filosofische vraag en een kennisvraag.
De vraag: ‘Hoe lang ben je een zaadje geweest?’ is een kennisvraag. Er is één goed antwoord en als we het aan een expert vragen, dan zou hij naar alle waarschijnlijkheid een antwoord kunnen geven.
De eerste vraag: ‘Doet het pijn als je uit de grond wordt getrokken?’ is een typisch filosofische vraag. Bij een filosofisch gesprek over deze vraag, zal het concept ‘pijn’ onder de loep worden genomen. Kan een bloemkool pijn ervaren? Hoe weten we dat? Zijn er soorten pijn? Wat is pijn eigenlijk?
Een geslaagde eerste week
Zelf moest ik natuurlijk weer wennen aan het ‘voor de klas staan’. Aangezien ik 10 (dezelfde) filosofielessen per week geef aan verschillende groepen, kan ik enorm veel dingen uitproberen. Wat werkt wel, wat werkt niet, wat kan beter, wat doe ik mijn volgende les anders?
Het is een enorm gaaf proces om zo snel en vaak één en dezelfde les bij te schaven. Om te reflecteren en de verbeterpunten direct in dezelfde les (alleen met een andere groep) toe te passen. Om beter te worden in mijn vak: Het zijn van een kinderfilosoof.
(Het zijn van een kinderfilosoof, zo heette de titel van mijn scriptie dus ik vond het voor mezelf erg leuk om hiermee mijn blog af te sluiten. Voor jullie minder pakkend, maar ach, zo houd ik mezelf lekker bezig.)
Okéoké, dan nog even een echte afsluiter:
Eet jij vanavond bloemkool, broccoli, wortel, courgette of paprika? Probeer het dan ook eens. Wat zou jij die bloemkool, broccoli, wortel, courgette of paprika willen vragen? Zijn dat vooral kennisvragen of filosofische vragen?
‘Bloemkool, is jouw beste vriend broccoli?’
Ik word tante!
Aangezien ik zelf geen enkele drang voel om binnenkort moeder te worden (misschien gaat dat nog komen, misschien ook niet) zal ik me moeten storten op dit kleine wondertje.
Ik word namelijk tante. Tante? Ja, echt! Tante. Tante. Ik kan het niet vaak genoeg herhalen. Tante. Tante. Tante. Mooi woord is het eigenlijk eh? Tante. Vooral als je de a iets uitrekt. Alsof je niet wilt dat het woord eindigt. Dat de klank die uit je stembanden geknepen wordt, net zolang zou duren als dat ik haar straks in mijn handen heb.
Toch hoeft hij mij geen tante Bo te noemen. Het is gewoon Bo voor haar. Gewoon Bo. Toch niet zo’n mooi woord, dat tante. Het doet me denken aan oudtantes en aan de tante van Pietje Bell. Je weet wel, die ene met die wrat op haar neus die hij met een touwtje eraf probeert te knijpen terwijl ze slaapt. Zo’n tante zou ik uitspreken met de korte a. Maar ik word ta(a)nte. Bijzonder eh?
Een tante die
Een tante die sentimenteel een traantje wegpinkt bij iedere centimeter dat ze zal groeien
En hem zal leren dat hij sterk genoeg is om tegen de stroom van verwachtingen in te kunnen roeien
Een tante die zich opoffert om als speelkameraad overal aan mee te doen
En zich ieder moment klaar maakt voor een met overmatige hoeveelheid speeksel, dikke, vette zoen
Een tante die haar haren zal vlechten tot een prins eraan omhoog klimt en haar bevrijdt
Een tante die uren met haar praat over liefde, aangezien de prins toch een meid blijkt
Een tante die met je zal dansen midden op straat
Laat iedereen maar kijken, jij bent nu al goud waard
Tot snel lief meisje van mij, tot volgend jaar mooie jongen.
Een grote-mensenbaan! Ik word kinderfilosoof, maar wat is dat?
Een diepe dip en een nieuwe toekomst. Zo zal ik de periode noemen na mijn afstuderen aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie. Die nieuwe toekomst gaat nu van start. Ik ben namelijk aangenomen in het basisonderwijs als leraarondersteuner in combinatie met vakspecialist filosofie (oftewel kinderfilosoof). Maar wat doet een kinderfilosoof eigenlijk? En wat is filosoferen met kinderen?
Filosoferen is een werkwoord
Filosoferen is een activiteit. Dat betekent dat ik niet voor de klas sta en uitleg geef over de grote denkers die de Westerse geschiedenis rijk is of over ingewikkelde filosofische theorieën en stromingen. Nee, wat wij gaan doen is denkvaardigheden ontwikkelen.
Samen met de kinderen zal ik gaan nadenken over vragen waar geen eenduidig antwoord op is. Bijvoorbeeld: Kunnen dieren denken? Of: Mag je altijd zeggen wat je denkt?
Wat filosoferen met kinderen niet is
Filosoferen met kinderen is geen gezellig kringgesprek waarbij er vooral meningen worden uitgewisseld. Het is ook geen debat waarbij je kunt winnen met goede argumenten of een discussie waarbij gelijk krijgen hoog in het vaandel staat. Het is ook geen plek waar je vrijblijvend kunt fantaseren.
Filosoferen is eigenlijk best wel strikt. Het is geen gesprek waar je kunt zeggen wat je denkt zonder dat denken onder de loep te nemen en te verantwoorden waarom je dat vindt of zegt. Je komt niet meer weg met antwoorden als: ‘Dat vind ik gewoon’ of: ‘Nou, iedereen ziet dat anders. Dit is jouw waarheid en ik heb de mijne.’
Maar wat is filosoferen met kinderen dan wel?
Filosoferen begint eigenlijk altijd met een vraag die aanzet tot nadenken. Natuurlijk zijn dit vragen die passen bij de belevingswereld van het kind (ik filosofeer met kinderen van groep 3 t/m groep 8).
Tijdens een filosofisch gesprek worden argumenten aan een onderzoek onderworpen. Je denkt ergens gedisciplineerd en methodisch over na. Je gaat op onderzoek uit. ‘Klopt het wat je zegt? Is dat altijd zo? Kunnen we een tegenvoorbeeld vinden? Net zei je het een, nu zeg je het ander; zijn die twee dingen verenigbaar met elkaar? Of moeten we er één kiezen die we verder gaan onderzoeken?’
Filosoferen is een gezamenlijk denkonderzoek.
Je bent gezamenlijk bezig met het onderzoeken van het eigen denken. Dit kan in iedere groep en op verschillende niveaus.
Tijdens het filosoferen leren de kinderen:
– naar elkaar luisteren;
– de eigen gedachten onder woorden te brengen;
– elkaars opvattingen en meningen te respecteren;
– sociaal-communicatief vaardig zijn;
– kritisch en zelf nadenken;
– begrippen en argumenten analyseren, toetsen en correct gebruiken;
– perspectivische lenigheid ontwikkelen (verschillende perspectieven kunnen herkennen);
– naar alternatieven en tegenvoorbeelden te zoeken;
– voort te bouwen op elkaars gedachten (samenwerken).
We hebben er zin in! Laten we met de toekomstige wereldburgers gaan denken! ;D

Een diepe dip, een nieuwe toekomst en een BAAN!
Ik dacht na mijn afstuderen: Wat nu? Diepe dip, wist niet dat er zoveel grauwe kleuren bestonden want leven verloor binnen enkele maanden haar helderheid en glans. Nog steeds sta ik tot aan mijn knieën in de zwarte prut. Lopen is zwaar, maar ik dreig tenminste niet kopje onder te gaan.
Existentie = aanzijn, bestaan, leven
Bij een filosoof horen wat mij betreft existentiële crisissen. Een gevoel dat je plots kan overvallen: Wat doe ik hier? Waarom moet ik door mijn eigen lijden heen terwijl het uiteindelijk nergens toe leidt? De zinloosheid achter al het betekenisloze geneuzel maken zowel je voeten als je mondhoeken zwaar.
De rest van de wereld lijkt de modder niet te zien. Dat is het beroerde aan psychisch lijden. Beter een gebroken arm; iedereen die ziet dat sporten niet lukt, dat er iets aan de hand is en dat je ook weer zal herstellen. Maar psychische pijn komt en gaat wanneer het zin heeft.
Theater is dan wel mijn ding, maar ik doe heus niet alsof
Ik doe niet alsof als ik gezellig op een verjaardag, op de sport, op werk of als ik samen met vrienden ben. Ik doe niet alsof als ik met mijn blote voeten het natte gras streel en huppel als Maria uit Sound of the Music of een prachtige dag organiseer met heel veel andere ukelele-fanaten. Ik ben op dat moment oprecht in een euforische stemming.
Maar als ik geen vangnetten bouw om de pijn van alledag te kunnen verdragen.. Als ik geen vangnetten bouw om de zinloosheid, de grootsheid en de nietigheid van het mens-zijn op te vangen, dan val ik iedere keer zo’n ontzettend diep stuk naar beneden dat de klap steeds moeilijker te verdragen is.
Tijd voor een plan. Tijd voor een toekomst. Tijd voor hulp.
Driehoeksverhouding
En dus ging ik niet op zoek naar bestaande beroepen waarin ik misschien wel of niet paste. Maar bedacht ik een functie die paste bij mij. En kijk hier, dat lukte (niet zonder slag, stoot, geduld of stress).
Ik bedacht een driehoeksverhouding waarin ik de drie functies van kinderfilosoof, onderwijsassistent en invalkracht in het basisonderwijs kon combineren met elkaar. Twee directrices waren, nadat ik contact had gehad met verschillende besturen, dolenthousiast.
Nu heb ik een doel, een toekomst en hulp.
Filosoferen met kinderen
Ik ga filosoferen met kinderen. En dat is geweldig. Wat filosoferen met kinderen precies is? Dat lees je hier. Want filosoferen met kinderen is allerminst zwaar op de hand of eng. We zullen samen na gaan denken over vragen als: Kunnen dieren denken? En: Mag je altijd alles zeggen wat je denkt?
Daar kun je methodisch en gestructureerd over leren nadenken, zodat er doordachte antwoorden komen op vragen die niet eenduidig zijn. Antwoorden waarover is nagedacht, die onderbouwd zijn met argumenten die standhouden en die vrij zijn van drogredeneringen.
Kinderen die leren te respecteren dat er verschillende opvattingen naast elkaar bestaan, die hun eigen gedachten steeds beter leren formuleren, die kritisch en zelf leren nadenken, die sociaal-communicatief vaardig zijn en die naar alternatieven en tegenvoorbeelden kunnen zoeken in een gezamenlijk denkgesprek. Mooi toch?
En ik?
Bepaalde periodes van pijn, verdriet, leegte, eenzaamheid; ze horen er ook bij. Nu nog manieren vinden om ze te ondergaan in plaats van er aan onderdoor te gaan ;). Mindfulness en de meditatie-oefeningen die daarbij horen schijnen bij heel veel mensen te werken en hebben ondertussen een wetenschappelijke basis waaruit een traject/methode is opgezet. Leuk voor later. Niet al te later. Over een half jaar ofzo. Of volgende maand. Volgende week? Oké, oké, morgen.
Vandaag.
Nu dus.
Serieus?
Ja.
Ok.
She said yes!
Twee jaar geleden zei ze ja. Het was op haar verjaardag. Ik had haar een aanzoek gedaan. Het stond op de kaart of naja, eigenlijk niet. Op de kaart stond dat ze naar een spraakbericht op haar telefoon moest luisteren.
Haar zicht ging al jaren achteruit, maar haar gehoor deed het nog prima. Luisteren dat ze kan! Naar al mijn verhalen, herinneringen, huilbuien, eenzame momenten en (te) gekke ervaringen. Ik vroeg haar mijn oma te worden. And she said yes.
Biologische oma
Precies 9 jaar geleden, 4 augustus 2012, blies mijn biologische oma haar laatste adem uit. God, wat is er sindsdien veel gebeurd. Ik ben groot geworden, vooral letterlijk. Want terwijl ik worstel met dat figuurlijke groot worden trekt mijn onderbewuste me steeds terug in het verleden.
Het geeft een melancholische lading aan al wat ik denk. Omdat we vaak zeggen dat de herinnering mooi is om te koesteren. Geldt dat ook als je die herinnering niet meer kan delen met de persoon waarmee je de herinnering maakte? Als ze samen met jou, oma, in de oven tot as zijn verpulverd? Zwarte korrels zwerven rond in mijn brein op zoek naar een uitweg, een wederhelft in een ander brein, een glimp van herkenning. Tevergeefs. Die zwarte korrels maken het moeilijker om helder te zien.
Adoptie oma
Maar zoals de tijd geen genade kent, zo ken ik geen tegenreden om terug te nemen wat mij ooit is afgenomen. Vervangbaar ben je allerminst oma, en de herinneringen met jou verliezen niet meer betekenis, maar wel de emotionele lading die er altijd bij kwam kijken. Zo hoort dat ook. Zo kunnen we uiteindelijk door met stappen zetten.
Vandaag maakte ik wat nieuwe herinneringen met mijn geadopteerde oma. Mijn bonusoma. Mijn oma. Opdat ik weet dat ook zij mij met de tijd moet verlaten. Omdat ik weet dat dezelfde rouw mijn huid rondom mijn ogen zal aantasten en de pijn zich zal vastzetten in mijn voeten, zodat ik bij iedere stap die ik voorwaarts zet herinnerd wordt aan dat wat niet meer te delen is met haar.
Twee jaar
En toch, ondanks dat ik mij daar heel bewust van ben, kies ik ervoor jou lief te hebben, oma. Twee jaar geleden zei je ja. Het was op je verjaardag. Tot de dood ons scheidt oma, tot de dood ons scheidt.