'Bloemkool, doet het pijn om uit de grond te worden getrokken?'

Deze week begon het filosoferen met de groepen 5 t/m 8. Het onderwerp? Een pratende bloemkool. Raar? Zeker. Nieuw? Dat ook. Grappig? We hebben wat afgelachen!

Een pratende bloemkool
De klassieke eerste les in de kinderfilosofie is de les met de bloemkool. Ik kon niet achterblijven en dus kwam ik, gewapend met een roze box met daarin een bloemkool onder mijn arm, de klas binnen.

Na een korte inleiding over wat filosoferen precies inhield, konden we aan de slag. Je kunt het beste ervaren wat filosoferen is, door het te doen. Ik vertelde de klas dat in de grote roze doos een pratend ding zat. Terwijl ik de doos opende en de bloemkool eruit haalde werd er bij het zien van de bloemkool gelachen, gegild, met de ogen gerold en sommige mini-filosoofjes begonnen direct met creatief denken. Ze probeerden manieren te verzinnen waarom ik dit een pratende bloemkool noemde.

Het gedachte-experiment
In de filosofie is het ‘gedachte-experiment’ een belangrijke tool om na te kunnen denken over dingen die in het echt misschien niet kunnen, maar die het denkvermogen wel kunnen oprekken. Vanuit je luie stoel, kun je op deze manier tot nieuwe kennis komen. Vaak begint een gedachte-experiment met: ‘Stel je eens voor dat…’

Zo ook in mijn filosofieles: ‘Stel je eens voor dat deze bloemkool kon praten, wat zou je ‘m dan willen vragen?’

Vragen durven stellen
Er werd veel gegiecheld, gelachen, gespeeld en ontdekt. En dat was juist de bedoeling. De kinderen durfden zich te laten verwonderen en durfden het vanzelfsprekende te bevragen:

‘Bloemkool, doet het pijn als je uit de grond wordt getrokken?’
‘Bloemkool, hoe zou jij kunnen weten welke kleur je bent?’
‘Bloemkool, hoe voelt het om steeds verder uit elkaar te worden gehaald?’
‘Bloemkool, wat was je belevenis in de roze doos?’
‘Bloemkool, hoe lang ben je een zaadje geweest?’

Er bestaan verschillende soorten vragen
Ik wilde de kinderen in deze eerste les direct kennis laten maken met het denkgereedschap gedachte-experiment. Bijkomend leerdoel was dat de kinderen het verschil leerden tussen een filosofische vraag en een kennisvraag.

De vraag: ‘Hoe lang ben je een zaadje geweest?’ is een kennisvraag. Er is één goed antwoord en als we het aan een expert vragen, dan zou hij naar alle waarschijnlijkheid een antwoord kunnen geven.

De eerste vraag: ‘Doet het pijn als je uit de grond wordt getrokken?’ is een typisch filosofische vraag. Bij een filosofisch gesprek over deze vraag, zal het concept ‘pijn’ onder de loep worden genomen. Kan een bloemkool pijn ervaren? Hoe weten we dat? Zijn er soorten pijn? Wat is pijn eigenlijk?

Een geslaagde eerste week
Zelf moest ik natuurlijk weer wennen aan het ‘voor de klas staan’. Aangezien ik 10 (dezelfde) filosofielessen per week geef aan verschillende groepen, kan ik enorm veel dingen uitproberen. Wat werkt wel, wat werkt niet, wat kan beter, wat doe ik mijn volgende les anders?

Het is een enorm gaaf proces om zo snel en vaak één en dezelfde les bij te schaven. Om te reflecteren en de verbeterpunten direct in dezelfde les (alleen met een andere groep) toe te passen. Om beter te worden in mijn vak: Het zijn van een kinderfilosoof.

(Het zijn van een kinderfilosoof, zo heette de titel van mijn scriptie dus ik vond het voor mezelf erg leuk om hiermee mijn blog af te sluiten. Voor jullie minder pakkend, maar ach, zo houd ik mezelf lekker bezig.)

Okéoké, dan nog even een echte afsluiter:

Eet jij vanavond bloemkool, broccoli, wortel, courgette of paprika? Probeer het dan ook eens. Wat zou jij die bloemkool, broccoli, wortel, courgette of paprika willen vragen? Zijn dat vooral kennisvragen of filosofische vragen?

‘Bloemkool, is jouw beste vriend broccoli?’


Een grote-mensenbaan! Ik word kinderfilosoof, maar wat is dat?

Een diepe dip en een nieuwe toekomst. Zo zal ik de periode noemen na mijn afstuderen aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie. Die nieuwe toekomst gaat nu van start. Ik ben namelijk aangenomen in het basisonderwijs als leraarondersteuner in combinatie met vakspecialist filosofie (oftewel kinderfilosoof). Maar wat doet een kinderfilosoof eigenlijk? En wat is filosoferen met kinderen?

Filosoferen is een werkwoord
Filosoferen is een activiteit. Dat betekent dat ik niet voor de klas sta en uitleg geef over de grote denkers die de Westerse geschiedenis rijk is of over ingewikkelde filosofische theorieën en stromingen. Nee, wat wij gaan doen is denkvaardigheden ontwikkelen.

Samen met de kinderen zal ik gaan nadenken over vragen waar geen eenduidig antwoord op is. Bijvoorbeeld: Kunnen dieren denken? Of: Mag je altijd zeggen wat je denkt?

Wat filosoferen met kinderen niet is
Filosoferen met kinderen is geen gezellig kringgesprek waarbij er vooral meningen worden uitgewisseld. Het is ook geen debat waarbij je kunt winnen met goede argumenten of een discussie waarbij gelijk krijgen hoog in het vaandel staat. Het is ook geen plek waar je vrijblijvend kunt fantaseren.

Filosoferen is eigenlijk best wel strikt. Het is geen gesprek waar je kunt zeggen wat je denkt zonder dat denken onder de loep te nemen en te verantwoorden waarom je dat vindt of zegt. Je komt niet meer weg met antwoorden als: ‘Dat vind ik gewoon’ of: ‘Nou, iedereen ziet dat anders. Dit is jouw waarheid en ik heb de mijne.’

Maar wat is filosoferen met kinderen dan wel?
Filosoferen begint eigenlijk altijd met een vraag die aanzet tot nadenken. Natuurlijk zijn dit vragen die passen bij de belevingswereld van het kind (ik filosofeer met kinderen van groep 3 t/m groep 8).

Tijdens een filosofisch gesprek worden argumenten aan een onderzoek onderworpen. Je denkt ergens gedisciplineerd en methodisch over na. Je gaat op onderzoek uit. ‘Klopt het wat je zegt? Is dat altijd zo? Kunnen we een tegenvoorbeeld vinden? Net zei je het een, nu zeg je het ander; zijn die twee dingen verenigbaar met elkaar? Of moeten we er één kiezen die we verder gaan onderzoeken?’

Filosoferen is een gezamenlijk denkonderzoek.
Je bent gezamenlijk bezig met het onderzoeken van het eigen denken. Dit kan in iedere groep en op verschillende niveaus.

Tijdens het filosoferen leren de kinderen:
– naar elkaar luisteren;
– de eigen gedachten onder woorden te brengen;
– elkaars opvattingen en meningen te respecteren;
– sociaal-communicatief vaardig zijn;
– kritisch en zelf nadenken;
– begrippen en argumenten analyseren, toetsen en correct gebruiken;
– perspectivische lenigheid ontwikkelen (verschillende perspectieven kunnen herkennen);
– naar alternatieven en tegenvoorbeelden te zoeken;
– voort te bouwen op elkaars gedachten (samenwerken).

We hebben er zin in! Laten we met de toekomstige wereldburgers gaan denken! ;D


Met 'vreemden' samen ukelele-spelen: een hoogtepuntje

In de verte, heel in de verte hoor ik een geluid waarmee mijn wekker mij laat weten dat het tijd is om een nieuwe dag te beginnen. Ik druk mijn wekker uit, ga rechtop in bed zitten, schuif mijn billen nog even van links naar rechts, doe een schietgebedje en schraap dan mijn keel.

‘Goedemorgen mijn stem, hoe gaat het met jou?’

Een brommend en knijpend geluid verlaat mijn mond. Mijn humeur kan direct al niet meer slechter, dus stap ik expres met mijn verkeerde been uit bed.

Het ukelele-evenementje gaat doooor
Vandaag is het 11 juli en zal ik samen met een aantal andere ukelele-fanaten bijeenkomen om samen te spelen in ’t Hemmeland.

Ik heb, laten we het voorzichtig zeggen, geen engelenstem. Meer een combinatie tussen een zeekoe en een kikker (wees creatief om hier een beeld of geluid bij te krijgen. Ik moet zelf ook toegeven dat ik geen idee heb wat voor geluid een zeekoe maakt, maar creativiteit verbetert ons inbeeldingsvermogen en andersom, dussss succes;)).

Schor en wel kom ik bepakt en bezakt aan in Monnickendam. Zeil mee, kleedjes mee, ukelele en bladmuziek mee, appels en koeken mee, JBL box mee en het belangrijkst: mijn opperbeste stemming. Mijn ochtendhumeur heb ik thuis gelaten, we hebben tenslotte in de middag met elkaar afgesproken.

Samenspelen onder een grote, groene boom met uitzicht over het water
Met een groep van 17(!) en later met 19(!!!) beginnen we met het nummer ‘The lion sleeps tonight’. Het is nog even wennen maar al snel hebben we het ritme te pakken (met veel dank aan de twee Cajon spelers die een enorme steun waren bij het samenspelen).

Tijdens het nummer: ‘Have you ever seen the rain’ was er geen wolkje aan de lucht. De zon straalde en de grote boom die ons in eerste instantie beschutting moest geven tegen beginnende miezer-regen, beschermde ons nu tegen hete stralen van de zon.

Een hoogtepuntje of een puntje te hoog
Al snel voel ik mij de meest tevreden vrouw in Noord-Holland. Tijdens het spelen kijk ik nog eens goed om mij heen. De blije, tevreden, van concentratie gespannen gezichten geven een prachtige weerspiegeling van deze middag.

De diversiteit is fantastisch. We hebben beginners en gevorderden, jong en oud, leiders en muzikale volgers. We hebben mooie stemmen en schorre stemmen, grappenmakers en -ontvangers met een aanstekelijke lach, twee cajons en we hebben zelfs een ukelele-bas in ons midden.

Het was een hoogtepuntje. Een puntje dat zo hoog was, dat je er alleen niet bij kunt. Maar samen wel. Samen met deze groep wel. Dank, dank, dank.


Samen is beter dan alleen - Kom je ook?

Rondom Amsterdam kon ik geen ukelele-bijeenkomsten vinden. En dus dacht ik: Waarom organiseer ik het eigenlijk niet zelf? Heus geen festival grootte (alhoewel best leuk idee), maar gewoon een kleine samenkomst met andere ukelele-spelers.

Zo gezegd, zo gedaan. Samen met Frans en Carla organiseren we aankomende zondag 11 juli een kleine bijeenkomst voor zowel beginners als gevorderden. Gewoon om elkaar te ontmoeten, plezier te hebben en onze muziek (en kennis) te delen.

Datum en locatie
De datum en locatie liggen dus vast! De locatie wordt:…. *tromgeroffel* …Hemmeland! (Monnickendam) We verzamelen tussen… *tromgeroffel* …13.00 en 13.15 bij het Mirror Paviljoen. Adres: Waterlandse Zeedijk 1.

Dat tromgeroffel kan ook tijdens het ukelele-spelen erg goed van pas komen. We hebben al iemand die een Cajon meeneemt en waarop het ritme aangegeven kan worden. Mocht er iemand zijn die zich geroepen voelt een aantal nummers te willen ‘leiden’ qua stem, dan zou dat super fijn zijn!

Plezier
We vinden het vooral gezellig om andere ukelele-spelers te ontmoeten en kennis te maken met elkaar. Ook zullen we in kleine groepjes en op een gegeven moment met de hele groep proberen een liedje te spelen.

De volgende nummers gaan we samen (of in kleinere groepjes) met elkaar spelen:
– Shape of You
– The lion sleeps tonight
– Brown eyed girl
– Dancing in the moonlight
– Somewhere over the rainbow
– Have you ever seen the rain

De bladmuziek kan ik naar je mailen. Stuur me een privé-berichtje op Facebook met je mailadres en dan stuur ik je de bladmuziek. Natuurlijk zijn we niet gebonden aan nummers dus neem gerust je favoriete liedjes mee!

We hopen natuurlijk op een beetje goed weer. Mocht het storten van de regen, dan verplaatsen we het natuurlijk, aangezien regen niet al te best is voor onze ukes! (Mocht ik ooit een waterval met geld tegenkomen, zijn jullie van harte welkom in mijn overdekte ukelele-paradijs, maar ben ‘m vooralsnog niet tegengekomen.)

Zelf meenemen:

– Ukelele
– Kleedje om op te zitten (of stoeltje)
– Bladmuziek (eventueel extra om uit te wisselen)
– Eten + drinken
– Vriendin, tante, zus, verre vriend, goede buurman of je muzikale zelf.

Tot snel lieve mede-ukelelespelers!

Een muzikale groet,

Frans, Carla en Bo


'Maar papa, ik hou steeds meer van jou'

Het was 11 april. Geen 10 of 12 april. En zeker geen 20 juni op vaderdag. Het was 11 april. Ik weet die datum nog zo goed omdat een goede vriendin van mij al een jaar haar moeder niet had gezien. Ze was een jaar eerder overleden aan corona.

Een gewone zondag
11 april gebeurde er iets ongewoons in mijn taalgebruik. Het was een niet-bijzondere zondag geweest. Zo een die (normaal gesproken) een negatieve noch een positieve indruk achter zou laten. Zo een die je samen met duizenden andere dagen kon beschouwen als fijne, gebalanceerde, stabiele dagen die je dan wel niet zou onthouden, maar die wel degelijk bijdroegen aan het beeld dat je van jezelf creëert als je terugkijkt op je leven.

Juist die dagen, waarin je niet overweldigend blij, verdrietig of humeurig bent, juist die dagen zorgen voor een belangrijk evenwicht tussen al die hormonen die door je lijf razen. De stresshormonen cortisol en adrenaline nemen af, evenals het gelukshormoon endorfine.

Je kunt soms net zo tevreden zijn als je langs een kabbelend beekje loopt met hier en daar een vlinder, als bij een denderende, imposante waterval, als je begrijpt wat ik bedoel.

Een futiliteit… of toch niet? 
11 april lunchte ik bij mijn ouders. Ik probeer me voor de geest te halen wat voor weer het was. Het zal een dag zijn geweest met wind want bijna alle details, waaronder de woorden die op dat moment uitgewisseld werden, zijn vervlogen. Slechts één stomme onbenulligheid is mij bijgebleven.

In de gesprekken die wij voerden aan tafel (vraag me niet waarover) voegde ik, zodra het kon, het woord ‘papa’ toe. Het voelde zo fijn en zo goed om dat te kunnen zeggen. ‘Papa, weet je wat ik laatst nog zei? Inderdaad papa. Papa, heb jij al bestek? Oh ja, ik zie het al papa.’ Het woord kreeg een nieuwe lading.

Misschien onnozel of futiel. Maar voor mij was deze luttele ontdekking heel speciaal. Omdat in dat kleine, onbenullige woordje van 4 letters dus eigenlijk heel veel betekenis bleek te liggen. Die dag, 11 april, was dus toch niet zomaar een dag. Het woord ‘papa’ kreeg kleur. Mijn papa bleek het meer dan waard te zijn om ‘papa’ genoemd te worden.


Ik was niet de enige zonder vrienden en bier

Koningsdag. Het dubbele gevoel overviel me al een aantal dagen eerder. Wetende dat ik eigenlijk plannen moest maken, werd alles wat ik voelde en dacht door mezelf aan kritiek onderworpen. De tegenstrijdigheid in mij was niet te houden. Ik ging er dubbel van zien (geen bier of een feestje voor nodig).

In Amsterdam, daar gebeurt ‘het’
Ik wilde naar Amsterdam, al was het in mijn eentje. Slenteren door de drukke straten, glimlachend naar al die mensen die zich voor één dag verbonden voelden met hen die ook oranje droegen.

Een kleur als schakel tussen vele individuen die elkaar in het dagelijks leven niet zouden zien (staan).

Balanceren in oranje kleding met een regenboogvlag
Waar we met Gay Pride het recht op diversiteit en verschil opeisen, vieren en verdedigen, kiezen we op Koningsdag gezamenlijk voor dezelfde kleur.

Een samenleving gedijt goed bij die balans. Aan de ene kant het samenzijn, je verbonden voelen met je eigen land (of eigenlijk met de mensen om je heen) en je onderdeel voelen van iets groters. Aan de andere kant de vrijheid hebben je eigen weg te gaan, je ware ‘aard’ te tonen en je talenten op een unieke wijze te mogen combineren.

Koningstompouce en Snot
Gisterochtend trok ik mijn oranje jumpsuit aan, kneedde wat Snot in mijn krullen (ja echt, zo heet dus een bepaald soort gel voor in mijn haar. Ik weet ook niet wie dat heeft bedacht, maar verschil moest gevierd worden toch? Sommigen hebben blijkbaar het ‘talent’ om dit soort namen te bedenken) en ik pakte mijn oranje bandana uit de kast.

Nog voor ik mijn koningstompouce om 10.00 ’s ochtends bij mijn ouders goed en wel had weggewerkt, had ik al spijt van mijn beslissing ‘niet zoveel te ondernemen’ met Koningsdag. Ik zou naar De Rijp fietsen, mijn favoriete honden knuffelen en mijn oranje verkleedkleren showen in het dorp. Maar in de media zag ik ‘festivalgezelligheid’ (zelfbedacht woord. Na even Googelen toch niet zo zelfbedacht maar goed) ik voelde me dus alleen.

Gedeeld leed is half leed
Ik bleek niet de enige. Collega’s en vrienden staken hun handen uit de mouwen in de supermarkt en in de zorg, sommige bekenden bleken ook niet veel ‘op de planning’ te hebben en andere zaten thuis zich net zo alleen te voelen als ik.

Wat was dat een fijn gevoel, die gedeelde ‘onthouding’. Koningsdag ging ten slotte om die ene kleur oranje, waarin we elkaar vinden en herkennen. En daar lag ik: met mijn oranje bandana in mijn haar, op de bank berichten lezend van mensen die net als ik ook ‘dubbelzagen’ van het conflict in zichzelf. Toch niet zo alleen dus.


Jaloers en gefrustreerd! Ik benijd hen die leven voor zichzelf

De buurvrouw van de grote tuin waar wij op uitkijken (we wonen op de eerste verdieping en hebben een dakterras) is verhuisd. De tuin zag er altijd verzorgd uit met veel planten, bloemen, gekleurde kussens en lichtjes. Er is een jongen voor in de plaats gekomen.

De hele tuin is nu bestraat met grote, mooie tegels en een grote overkapping. (Die overkapping is ideaal aangezien het toch een beetje een vissenkom idee is als er 4 huizen op je tuin neerkijken.) Maar ik zie het steeds vaker gebeuren. Minder groen, meer bestrating want: minder onderhoud.

Dan voel ik me een oude zeur. Een gefrustreerde natuurliefhebber. De bijtjes hebben bloemen nodig en wij hebben bijen nodig. Zonder de bestuiving van bijen en vlinders zouden allerlei bloemen en planten geen zaden en vruchten meer maken en stoppen ze met bestaan.

Iedereen die nog iets weet van biologie, weet dat de producenten aan het begin staan van onze voedselketen en zij het allerbelangrijkst zijn. Tja, een oude zeur dus of een irritante betweter, ook goed.

Idioot
Helemaal als er dan verkiezingen zijn en er drie partijen de klimaatproblemen ontkennen  en de grootste partij in ons land al jaren zijn kop in het zand steekt en het op de lange baan schuift. Dat er dan mensen zijn in mijn omgeving die vegetariër zijn, zich zorgen maken om het klimaat maar vervolgens wel Thierry stemmen want tja, dat coronabeleid van hem is wel erg aantrekkelijk.

Een collega zei in een vertrouwd moment dat hij de ideeën van Thierry qua coronabeleid ook wel zou willen. Natuurlijk wilde hij dat ook, net als ieder ander in Nederland. We willen weer kunnen springen en dansen op muziek, zonder te denken aan de verplichtingen die in een razend tempo op ons (jongeren) afstevenen.

We willen weer nieuwe mensen ontmoeten in de kroeg, knuffels geven bij troost en elkaar in de armen vliegen bij blijdschap. ‘Maar,’ zei hij, ‘je stemt niet op een partij die je toevallig aanspreekt op één interessant onderdeel. Je leest het partijprogramma of de samenvatting en vervolgens ga je op zoek naar kritiek op deze partij.’

Ik voegde daaraan toe dat als deze kritiek botst met je eigen waarden en principes, bijvoorbeeld racisme, homo-haat of het uitknijpen van mensen aan de onderkant van de samenleving, je weet waar je eigen waarden liggen. Deze waarden zou je vervolgens kunnen vergelijken met de waarden van partijen, in plaats van te beoordelen of de fractieleider je aanspreekt en debatten te kijken zonder er een steek wijzer uit te worden.

We wilden elkaar bijna om de hals vliegen en knuffelen, mijn collega en ik. Bijna, tja, stomme corona ook.

Ik mis mezelf
Die avond loop ik in het donker over de dijk. Hier is het minste lichtvervuiling en heb je op een heldere avond de meeste kans wat sterren te zien. Ik mis de sterren die in Nieuw-Zeeland niet aan mijn ogen werden onttrokken. Ik mis het gevoel dat we slechts een planeet zijn in een immens groot universum. Ik mis de nietigheid van mijn eigen kleine ik.

Soms benijd ik hen die mogen leven voor hun eigen gewin. Voor het mooie huis en de dure auto waar ze hard voor werken. Voor hun vrienden, status, extra vakanties en erkenning.

Ik benijd hen die niet hoeven na te denken over dingen die buiten hun eigen leefwereld vallen, waarbij de tijd ze vanzelfsprekend meeneemt richting een onontkoombare dood. Voor mij is er dan maar één troost: de tijd houdt ook mijn hand vast en gelukkig zal ze die op een gegeven moment ook los moeten laten.


Geniet jij wel genoeg? Misschien moet je iets meer genieten! Geniet ervan!

Geniet ervan! Geniet ze! Lekker genieten! Geniet er wel van eh? Is nodig!
Als iets belangrijk is in deze tijd, dan is het dat we moeten genieten. Zonder dat we het zelf door hebben leggen we daarmee zowel de ander als onszelf een enorme druk op.

De kerk
Dat we plezier als iets goeds zijn gaan beschouwen en pijn liever vermijden, is het gevolg van de secularisering (ontkerkeling), het verlies van religiositeit. Er is geen paradijs na onze dood, het paradijs is hier, nu!

We zijn zelf onze God geworden. We moeten continu het gevoel hebben dat we leven, genieten en het hoogste haalbare geluk ervaren. Het leven is tenslotte kort en je moet zelf de slingers ophangen (als we het individualisme en de markt mogen geloven).

Het verplichte genieten
De laatste paar maanden van mijn scriptieproces waren zwaar. Als je na 6 maanden, 24 boeken, verschillende huilbuien en heel wat onzekerheden verder, eindelijk je scriptie mag gaan verdedigen, dan is de combinatie van spanning, blijdschap, onzekerheid en trots er één die niet eens in de buurt komt bij ‘genieten’. Toch kreeg ik van zovelen te horen: Geniet er wel van eh? waarbij ik mij voortdurend afvroeg: hoe dan? Keer op keer ontstond er kortsluiting in mijn hoofd bij het ‘moeten’ genieten van dit slopende proces.

‘Waar moet ik van genieten dan? Van de sombere gevoelens waar ik al weken mee rond zeul? Van de stress die mijn lichaam vanbinnen opvreet? Van de angst voor de toekomst of de vluchtdrang? Van het verdriet dat straks echt het touwtje wordt doorgeknipt tussen mij en een opleiding waar ik mezelf heb gevormd en een enorme diepgang en voldoening heb ervaren?’

Ik snap er niks van.

Genieten als doe-woord
Is genieten een werkwoord geworden dat wij actief kunnen bewerkstelligen? Als het antwoord bevestigend is, dan zijn we dus zelf verantwoordelijk als iets niet lukt. Typisch iets van deze tijd: de verantwoordelijkheid ligt bij het individu.

Lamlendig, depressief, chronisch moe of angstig? In diezelfde volgorde: Een schop onder de kont, een cursus positief denken, vroeg naar bed (je zal wel te weinig slapen), een therapeutje hier en een psychiatertje daar en je kunt weer meedoen in de tredmolen van alledag.

Zouden we genieten niet meer kunnen zien als iets dat je overkomt? Of dat je alleen achteraf met een vorm van reflectie kunt toekennen aan een gebeurtenis of ervaring?

Ons doorgeslagen autonome ik
Psychiater Dirk de Wachter schrijft in zijn boek De kunst om ongelukkig te zijn, dat het streven naar een extreme mate van plezier en genot voor ellende en zelfs depressie zorgt. Hoe hoger onze verwachtingen, hoe groter de kans dat het leven tegenvalt. Aangezien we het autonome individu verantwoordelijk houden voor bijvoorbeeld het vormgeven van een plezierig en gelukkig leven, kun je narigheid, ellende en pijn ook alleen maar aan jezelf te wijten hebben. Angst, bedroefdheid, tegenslag en pijn zijn in die context persoonlijke mislukkingen.

Je kunt niet altijd kiezen om ‘te genieten’. Net als dat je er niet altijd voor kunt kiezen ‘je goed te voelen’. Soms hebben we een ‘mwaaah-dag’, ervaren we pijn, zijn we gestrest en weerkaatst ons spiegelbeeld niet datgene wat we zo graag zouden willen zien. Soms hebben we periodes, zoals mijn laatste gedeelte van mijn scriptieperiode waarbij er geen sprake is van genieten, geluk of de geweldigheid van het leven.

Er is meer dan genieten
En juist in dat soort periodes kunnen we leren weerbaarder te worden voor de ongemakken en teleurstellingen die het leven kent. Ondanks dat er bar weinig te genieten viel, verdiepte het delen van mijn kwetsbaarheid de relaties met de mensen die heel dicht bij mij staan. De veiligheid en zekerheid dat een ander er voor je is, benadrukt Dirk de Wachter in zijn boek, draagt bij aan de intermenselijke verbinding.

Er is meer in het leven dan genieten en gelukkig zijn. En toch ben ook ik een kind van mijn tijd en ervaar voortdurend de druk om te moeten ‘lukken’, om gelukkig te zijn en van ieder moment bewust te ‘genieten’. Maar is genieten niet iets dat je overkomt? Is het genieten zelf niet een extra ervaring bovenop de ervaring? En kunnen we daarmee ‘genieten’ als doe-werkwoord waar je actief iets mee kan of moet, wegstrepen? Dat lijkt me fantastisch. Een nadenkertje voor dit weekend.


Proviand mee, schaatsen aan en het natuurijs op!

Zooooeeefff, het geluid van ijzer dat glijdt over bevroren water. Af en toe een ‘klik, klak, klik, klak’ tussen het ‘zoefen’ door. De klapschaatsen worden, al is het mondjesmaat, nog steeds gebruikt.

Ik hoor gelach en gegil. Mijn ouders en mijn zus staan al te praten nog voordat we onze fiets hebben geparkeerd in de daarvoor bedoelde berm. Gezelligheidsdieren zijn het. Ik loop alvast het ijs op met in mijn ene hand geleende kunstschaatsen, in mijn andere een rugzak vol met proviand.

Van schaatser naar stuntelkampioen
Mijn noren zijn helaas kwijt en ik voel me een beginner op deze niet-bedoeld-voor-tochten schaatsen. Even wil ik om me heen roepen: ‘Ik kan heus wel goed schaatsen hoor, maar alleen op noren! Ik ben opgegroeid met schaatsen aan mijn voeten!’

Als ik om me heen kijk besef ik dat mensen dwars door mijn schaatskunsten heen kijken. Ze zijn zo blij om weer onder de mensen te zijn. In de verschillende ogen die de mijne kruisen zie ik een schittering. Zowel van blijdschap, als door de felle zonnestralen die weerkaatst worden in het oog en het traanvocht dat hierdoor lijkt te glimmen.

De lucht is blauwer dan ik in weken heb gezien en ik mag dan wel, in tegenstelling tot mijn familie, niet met iedereen een praatje willen maken, ik geniet op mijn eigen manier van de stellen die wandelen over het ijs, de professionele schaatsers en de ijshockeyers die met puck en sticks een partijtje spelen op natuurijs.

Enthousiast gedrag in de vorm van extravert sociaal gedrag, wordt maar al te graag gezien als dé manier om uiting te geven aan een intens geluksgevoel. Maar zoals we dat allemaal kennen, kan geluk ook samengaan met stilte, tranen of bewustwording.

Ik ben er en ik ben er niet
De glimlach van een grootouder die vertederend naar zijn of haar kleinkind kijkt die in zijn eigen wereld al 20 minuten met sneeuw, emmertjes en takjes in de weer is. Of het moment dat je kinderen samen de slappe lach hebben, je als ouder geen idee hebt waarom, maar dat dat er ook eigenlijk niet toe doet. Je hoort er bij en je hoort er niet bij.

Met het observerende vermogen van een kat, geef ik mijn gedachtes de vrije loop terwijl ik bij mijn ouders, zus en wat schaatsers uit Neck sta. En er ook weer niet sta, als je nu begrijpt wat ik bedoel.

In en uit mijn hoofd
Het lijkt of ik sta te wachten tot we verder kunnen, maar dat is een vergissing. Ik vind het op dit moment prettig om zowel in mijn hoofd als daarbuiten tegelijkertijd aanwezig te kunnen zijn. Mijn ouders en mijn zus doen het werk. Zij praten, reageren, verbazen zich en dat kost energie. Zij krijgen daar een ander soort energie voor terug.

Ik luister slechts, zonder direct te willen interpreteren, te willen begrijpen, zonder te reageren. De woorden vormen soms zinnen in mijn hoofd en soms blijven het losse woorden. Alsof ze in mijn hoofd nog geen zin hebben een vaste vorm aan te nemen of hun vaste plek te moeten kiezen. Op deze zeldzame momenten hoeven ze dat ook niet. Laat ze maar vliegen. Laat mij maar vliegen… of uuhh, ik bedoel natuurlijk schaatsen. 🙂


Filosofisch interview met Barry Mahoney over Filosofieonderwijs in het vmbo, meningsvorming, filosofie, toegepaste filosofie, burgerschap, maatschappijleer

Interview Barry Mahoney “Alleen maar zeggen ‘dit vind ik’, is nooit genoeg”

Gepubliceerd in Phronèsis, het vakblad voor Toegepaste Filosofie
www.phronesismagazine.nl
Interview met lerarenopleider Barry Mahoney
Door: Bo Kok

Barry Mahoney leidt docenten Maatschappijleer op aan de Hogeschool van Amsterdam en studeerde Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij mag zichzelf sinds 2014 Socratisch Gespreksleider noemen en begint binnenkort met zijn PhD, waarin hij onderzoekt of het socratisch gesprek bij mbo-niveau 4-studenten leidt tot beter kritisch denken. Mahoney pleit voor filosofieonderwijs in het vmbo, vindt denkruimte creëren bij jongeren een vereiste en dwingt leerlingen verantwoordelijkheid te nemen voor het gesproken woord.

Filosofieonderwijs in het vmbo, meningsvorming, Barry Mahoney, interview, filosofie, toegepaste filosofie, burgerschap, maatschappijleer

Als docent op de HVA leid je toekomstige maatschappijleer docenten op. Hoe zou je jezelf omschrijven als docent en welke houding neem je daarbij aan?
“Ik ben een filosofische zeikerd. Een horzel, zoals Socrates ook wel wordt genoemd door zijn geniale, botte maar oprechte manier van waarheidsvinding. Socratisch zeiken is voor mij een houding die ik af en toe aanneem in mijn lessen, waarbij ik leerlingen even laat stoppen met wat ze aan het doen zijn, met wat ze denken. Wat gebeurt hier? Welke aannames doe je en welke argumenten heb je?

WAAROM LIGT DE NADRUK IN HET ONDERWIJS OP LEREN EN NIET OP DENKEN?

Ik probeer ze te leren kijken naar hun eigen gedachten en deze heel traag af te pellen. De meeste leerlingen ervaren op zo’n moment een aporie. Uit een bepaalde vraag komt niet altijd een bevredigend antwoord. Leerlingen raken verward en weten niet meer hoe het zit. Ze raken in verwarring over hun eigen ideeën. Eerst dachten ze zeker over iets te zijn, maar dat is opeens niet meer zo vanzelfsprekend. Het is een prachtig fenomeen om te zien bij die jongelui, waar ik ontzettend van kan genieten. Iemand die twijfelt, die blaast zichzelf niet op. Als je extreem bent, dan twijfel je niet.”

Je pleit voor filosofieonderwijs in het vmbo. Op dit moment wordt het vak filosofie alleen aangeboden op de havo en het vwo. Er heerst het stigma dat filosofie alleen voor denkers, geleerden of intellectuelen interessant is. Wat zou filosofie vmbo’ers kunnen bieden?
“Filosofie is het leren inzien dat gedachten tijdelijk zijn. Dat het constructies zijn. Voor alles wat je wilt leren, moet je eerst leren denken. Maar waarom ligt de nadruk in het onderwijs dan vooral op dat leren en niet op het denken? Denkruimte creëren is essentieel en daar is de socratische methode erg geschikt voor.

Uit internationaal onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat kinderen op het vmbo matig scoren op burgerschapcompetenties. Dit zijn 60 procent van onze leerlingen! En juist op het vmbo is er geen ruimte voor een vak als filosofie, waarbij leren nadenken, je mening kunnen beargumenteren en meerdere perspectieven kunnen zien, centraal zouden kunnen staan. Op havo/vwo leren kinderen bij maatschappijleer vooral kritisch denken en reflecteren op bestaande structuren. In het vmbo leren kinderen voornamelijk hoe je je hoort te gedragen in een samenleving. Dat laatste is toch niet wat je wil? Je wil leerlingen zelf leren nadenken, leren hun eigen mening te bekritiseren en leren dat woorden niet gratis zijn.”

“IEMAND DIE TWIJFELT, BLAAST ZICHZELF NIET OP.”

Bedoel je daarmee dat we verantwoordelijkheid moeten nemen voor wat we zeggen? Steeds vaker hoor je het pseudo-argument: ‘Dat is gewoon mijn mening’ en daarmee is het gesprek dan ten einde. Ook veel jongeren blijken goed te zijn in hun mening delen met de rest van de wereld, zonder met gegronde of goed onderbouwde argumenten te komen.
“Ja, tegenwoordig kun je zeer makkelijk wegkomen met ‘dat is gewoon mijn mening’. Maar zoals Hannah Arendt zegt, zijn woorden die in de buitenwereld terecht komen, direct een aanleiding om het erover te hebben. Leerlingen moeten leren verantwoordelijkheid te nemen over wat ze zeggen en als ze dat kunnen, dan doet wat mij betreft de inhoud er niet toe.

Van mij mag alles gezegd worden, zolang we er samen over kunnen praten en kunnen ontleden wat er achter een bepaalde opvatting schuilgaat. Alleen maar zeggen: ‘dit is gewoon wat ik vind’ is dus nooit genoeg. Als je een bepaald standpunt inneemt, bijvoorbeeld dat je tegen homoseksualiteit bent, dan zal je verantwoording moeten afleggen op basis van iets wat we met zijn allen kunnen testen. Hier komt het socratisch gesprek om de hoek kijken. Je zet een onderwerp neer en dat onderzoek je met elkaar. Niet op basis van alleen je eigen ervaring, want ik kan niet onderzoeken hoe jij dat hebt ervaren. Je doet uitspraken en op basis daarvan bepaal je met elkaar of dat logisch is of niet, waar of onwaar. Met elkaar kunnen we dat testen in een wereld die we samen delen. Want die gedeelde wereld, moeten we met elkaar zien vorm te geven.”

ZEGGEN: ‘DAT VIND IK GEWOON’ IS NOOIT GENOEG

Kun je uitleggen wat je zou doen als een leerling op een bepaalde opvatting reageert met ‘dit is gewoon mijn mening’?
“Afhankelijk van de leerling kun je reageren met: ‘Nou, dat vind ik een hele domme opmerking.’ Zodra die leerling daar dan op reageert, zeg je: ‘Ja, maar dat is gewoon mijn mening. Goed gesprek hebben we, hè?’ Of je zegt: ‘Ik vind jouw moeder een hoer, dat vind ik gewoon. Leuk gesprek, moeten we vaker doen!’

We willen zo graag dat onze kinderen een mening vormen, terwijl het soms beter is als je helemaal nog geen mening hebt. Als je even een stapje terugzet en kunt kijken naar wat er nu eigenlijk gebeurt. Dat gaat niet vanzelf, daar moeten leerlingen in getraind worden.”

Hoe zie je filosofieonderwijs in het vmbo voor je?
“Filosofie kan best een invulling van burgerschap zijn. Een reeks filosofielessen bij maatschappijleer bijvoorbeeld. Filosofie hoeft niet per se een los vak te worden in het vmbo, er zou binnen verschillende vakken aandacht aan besteed kunnen worden. Ik zie filosofie en leren denken meer als een opdracht, zoals je ook kinderen sociale vaardigheden leert. Het gaat erom dat kinderen meer bedachtzaam het onderwijs verlaten. En niet alleen maar vol met kennis. Liever allebei. Kunnen denken is zo belangrijk.”

Je beschrijft jezelf op LinkedIn als horzel. Zouden er volgens jou meer ‘horzels’ rond moeten lopen in de samenleving? Mensen die steken, die bevragen, niet alles aannemen, die filosofisch zeiken?
“Ik heb daar eigenlijk nooit zo goed over nagedacht. Interessant is het wel. Op LinkedIn vind ik het erg leuk om voor horzel te spelen. Tegen mijn leerlingen zeg ik vaak ‘Op LinkedIn zei ik laatst…’ Dat is nu echt een running gag geworden. Laatst had ik op LinkedIn een discussie met de organisatoren van de black achievement month, waarin allerlei zwarte sleutelfiguren uit het verleden onder de aandacht worden gebracht bij een breed publiek. Ik vroeg: ‘Wanneer is iemand volgens jullie zwart? Zijn mijn zoons zwart met een Surinaamse moeder en een witte vader? Wat verstaan jullie precies onder zwart?’ Ik begrijp de hele beweging heel goed en heb respect voor de dingen die zij organiseren, maar ik wil dat er wordt nagedacht over hoe je dingen inkadert. Als ze er niet uitkomen, is dat niet erg, als ze maar die denkruimte pakken.

ALS WE ALLEMAAL HORZELS WAREN, ZOU DAT DOODVERMOEIEND ZIJN.

Ik denk dat iedere organisatie wel een horzel kan gebruiken maar ik zou niet durven zeggen of het er meer moeten zijn. Een vriend van mij is een nog grotere filosofische zeikerd dan ik en bevraagt echt alles. Dan denk ik wel eens: je hoeft niet alles te bevragen, soms wil ik ook gewoon even iets zeggen. Als we allemaal horzels waren, zou dat doodvermoeiend zijn. Het gaat om een mix van mensen. Mensen die prikkelen, mensen met een sterke mening, mensen die overal aan twijfelen en mensen die irriteren. We hebben ze allemaal nodig.”