Waar zit die rek in tijd?

Op dit moment (terwijl ik ziek ben) wandel ik veel. En soms, als mijn voeten mij richting de zon duwen en ik de vogels boven mij, waarvan ik de naam niet ken omdat ik mij nooit heb verdiept in vogelsoorten, de meest fantastische geluiden hoor produceren, neem ik meer tijd om mijn rechtervoet voor mijn linker te plaatsen. 

Alsof ik de tijd alleen zo op het verkeerde been kan zetten. Haar in mijn eigen vertraagde pas wil oprekken tot ze knapt, zoals ik vroeger al probeerde te ontdekken waar het precieze onbeweeglijke punt lag tussen het oprekken van een elastiekje en het knappen ervan. Waar was die rek in de tijd? Waar vond ik haar?

Mijn langspeelplaat en ik
In de lange, dunne steegjes van mijn denken vind ik een toeren knop, net als op mijn LP. Standaard platen kennen een afspeelsnelheid van 33 1/3 toeren, maar er zijn ook platen die je afspeelt op 45 of 78 toeren. Dit betekent dat in dezelfde tijd dat een 33 1/3 plaat één ronde heeft gemaakt, de 78 toeren plaat al 2,3 keer rond is geweest.

In onze tijd worden denk ik slechts nog 78 toeren platen gedraaid.

De tredmolen
Het leven is te kort en kan slechts ‘volledig’ ervaart worden als ervaringen elkaar in rap tempo opvolgen. Er worden 12 levens in één leven gepropt en dan nog is dat niet genoeg. Want waarom 12, als 13 nog mooier zou zijn?

(Ik ga hier liever niet in op het ongeluksgetal 13, aangezien mijn vader jarig is op de dertiende van augustus en hij mij altijd verzekerd heeft dat er een ongeschreven regel is die maar weinig mensen weten. Bij het ongeluksgetal 13 kies je er gewoon voor de eerste twee letters niet te lezen. Zo simpel als wat.)

Een peuter en een wijsgeer
Goed, ik vond dus in een met licht gevuld bovenkamertje een plaat met een grote vogel op de voorkant, die mij op 33 1/3 toeren liet spelen. Wat een verademing. Wat een ruimte. Niet alleen mijn pas vertraagde, ook mijn psyche leek deze afspeelsnelheid een stuk beter te kunnen verdragen.

Ik voelde in mijn zak, haalde er een perkamentrol uit en pakte het bovenste stukje tussen duim en wijsvinger vast. Als gevolg daarvan ontvouwde zich een volgeschreven lijst met ambities, verwachtingen en een bucketlist en kwam het nog niet uitgerolde laatste deel met een plof op het asfalt terecht.

Met de innerlijke woede van een peuter en de kalmte van een wijsgeer, scheurde ik het doormidden. Ik gooide het achter mij neer, zo hup, over mijn schouder. Ik zette mijn 78 toeren plaat –De toekomst– met als ondertitel verwachtingen van het leven, achter al mijn andere platen in de kast. Dag plaat. Hallo vogel.

Zie ook mijn nieuwe gedichtje: Zo lelijk als de nacht


Hoe ga jij om met eigen leed?

Een vriend van mij kan niet meer voetballen door zijn reuma, terwijl dat is wat hij het liefst doet. Een ander heeft al jaren heftige migraine-aanvallen die uit het niets opkomen en weer gaan. Een studievriend kan zijn grote passie bergbeklimmen niet meer beoefenen vanwege zijn knie. En een lieve vriendin heeft Pulmonale Hypertensie (PH); een zeldzame, ongeneeslijke ziekte. Door de hoge bloeddruk in haar longen heeft zij een grote kans op hartfalen en betaalt zij een gigantische prijs voor iedere vorm van inspanning.

Hoe doe je dat? Leven met beperkingen terwijl juist mijn generatie is opgegroeid met het idee dat alles mogelijk is. Dat alles moet kunnen en dat je overal toe in staat bent.

Ik wil mijn eigen problemen (lees deze hier) niet bagatelliseren door te stellen dat heel veel mensen leven met (niet-zichtbare) ziektes of aandoeningen. Ik heb soms wel behoefte aan het relativeren ervan.

Bagatelliseren vs relativeren
Een belangrijk verschil tussen bagatelliseren en relativeren is dat bij het gebruik van het woord bagataliseren er altijd een ontkenning is van hetgeen jij zelf (of een ander) ervaart of meemaakt.

Het is het afzwakken van je eigen ervaring, waarbij je het als iets onbeduidends of onbelangrijks neerzet, omdat er ‘ergere dingen zijn op de wereld’. Dat is denk ik niet de juiste houding om om te gaan met eigen pijn, verdriet of ziekte.

Relativeren gaat daarentegen veel meer om de betrekkelijkheid ergens van inzien.

Slimme dieren
Bijvoorbeeld door te erkennen dat je veel last hebt van de situatie en daar veel verdriet door ervaart. En tegelijkertijd kunnen inzien dat er veel mensen rondlopen die hetzelfde of erger meemaken. Dat we organismen zijn die zijn gaan geloven in de maakbaarheid van het bestaan.

Ook wij zijn eigenlijk slechts ‘slimme’ dieren waarbij de meeste van ons het geluk hebben in Nederland geboren te zijn, de een betere genen heeft dan de ander en diezelfde  ander enorm getalenteerd blijkt. Het leven hangt aan elkaar van toevalligheden en externe factoren waar we allen weinig invloed op hebben.

Psychisch leed
Het geloof in die maakbaarheid is gevaarlijk. Ik tuimel er iedere keer met open ogen in. Ik voel me mislukt, gefaald en zwak, omdat ik op dit moment niet in staat ben te werken.

Maar als ik mezelf zie vanuit groter perspectief, dan ben ik slechts een gewond dier dat haar wonden likt en niemand iets hoeft te bewijzen.

Het doet niks af aan het recht van mijn verdriet en pijn. Die emoties zitten daar volledig terecht. Net als de machteloosheid die ik voel. Ik bagatelliseer helemaal niks. Maar het relativeert wel.

En jij?
Ik heb voor één keer de reacties aangezet onder dit blog. Het lijkt me mooi voor diegene die willen, om hun verhaal te delen. Juist omdat het vanbuiten zo vaak niet te zien is. En ik, en jij waarschijnlijk ook, er niet beperkt of gehandicapt uitzie, maar je wel ergens in beperkt kunt zijn.

Via Social Media delen we onze mijlpalen in het leven. Maar voor mij is het op dit moment al een prestatie om een uur buiten te wandelen.

En het gaat hier niet om een roep om aandacht of om een lijst te kunnen maken met ‘wie de meeste ellende heeft’. Juist niet. Hooikoorts, chronische darmproblemen of diabetes; het gaat niet om de ernst, maar om het delen van de beperking.

Waar heb jij moeite mee, last van of wat zijn jouw beperkingen? En hoe ga (of ging) je daarmee om?


Wat als jij zelf Oekraïne zou zijn? Filosoferen met kinderen

Filosoferen met groep 7/8 over de oorlog. Ik merkte dat er behoefte was aan informatie, duiding, een duidelijk verhaal. Maar juist dat schiet er in tijden van oorlog bij in. Het doet me denken aan wat ik laatst las: ‘Het eerste grote slachtoffer van oorlog, is altijd de waarheid.’

Een lekkere bak vla
Een eenduidig, hapklaar verhaal waar je bijna niet op hoeft te kauwen om het door te slikken is zeldzaam in dit informatietijdperk. Waar ingewikkelde recepten je om de oren vliegen, is er steeds meer behoefte aan een simpel toetje als vla.

Als ik trek in vla heb, dan kijk ik graag naar het jeugdjournaal. Dan heb ik alle tijd om eens rustig te proeven, in plaats van verstikt te raken in de hoeveelheid smaken, kleuren, ingrediënten en smarties.

De meeste verhalen en gebeurtenissen zijn een stuk complexer dan dat ze in eerste instantie lijken of doen voorkomen. Dat geldt ook voor de items in het jeugdjournaal. Maar om complexere materie te kunnen begrijpen is een makkelijk verteerbaar toetje geen overbodige luxe. Al is het maar om daarna een overvloedig dessert zacht te kunnen laten landen.

Beginsituatie
Een vaardigheid die ontwikkeld kan worden tijdens het filosoferen is het kunnen uitstellen van (te snel getrokken) conclusies.

Gisteren sprak ik met een groep andere kinderfilosofen over het verschil tussen kennis overbrengen over een bepaald onderwerp en filosoferen over datzelfde onderwerp. Hebben kinderen eerst bepaald soort kennis nodig om deze vervolgens te kunnen bevragen?

Van abstract, naar concreet
Uiteindelijk, tijdens mijn lessen, vond ik een weg om de oorlog daar te laten en het zware onderwerp terug te brengen tot slechts een vergelijking. We hadden zojuist besproken of we als Nederland Oekraïne zouden moeten helpen. En wat we dan zouden kunnen doen.

Ik vroeg de kinderen zich Poetin voor te stellen als een pestkop en Oekraïne als de gepeste. Wat heeft de gepeste, die kwetsbaar is, nodig?

Reacties waren er in overvloed maar de opvallendste en meest terugkerende was toch wel: ‘Als jij zelf te zwak bent om bescherming te bieden, dan heb je hulp van andere landen nodig.’

Geldt dat ook in de klas? Of op school?
‘Als iemand zich in de klas zou voelen zoals Oekraïne zich nu voelt, zei Rasja (11), dan zouden alle andere kinderen net als veel landen nu doen, dit kind kunnen helpen.’
Hoe zouden we dat kunnen doen? Hoe komen we er überhaupt achter of een kind zich voelt als Oekraïne?

Een toetje toe
En zo was het gesprek weer in de klas. Van een abstracte oorlog, naar de dagelijkse praktijk. Mijn ondertussen klotsende oksels konden weer beginnen met opdrogen.

Het filosoferen raakte hier de vreedzame school (een programma voor sociale competentie en democratisch burgerschap) en dat vond ik eigenlijk wel best. ’s Avonds nam ik als beloning een overheerlijk kommetje gele vla.


Waarom een schoonmaker de baas is - Filosoferen met kinderen

Filosoferen kenmerkt zich door een beweging die heen en weer gaat tussen concrete en abstracte vragen. Tijdens het filosoferen met kinderen probeer ik hierin een balans te vinden. Zo kan een stimulus, bijvoorbeeld een verhaal, aanleiding zijn tot de vraag: Waarom heeft de hond in het verhaal geen naam? Dit kan dan leiden tot een algemenere vraag: Waar komen namen vandaan?

Ik ben de koning! Ik ben de baas!
Deze week filosofeerde ik met 7 klassen, variërend van groep 3 t/m groep 5 over ‘de baas zijn’. Als leidraad gebruikte ik het verhaal: ‘Ik ben de koning! Ik ben de baas!’ uit het boek Kan niet bestaat niet van Fabien van der Ham.

Sommige kinderfilosofen stellen dat jonge kinderen de beste filosofen zijn. Daar ben ik het niet mee eens, maar dat jonge kinderen nog niet vastzitten in een bepaald denkkader en niet geremd worden door een hoeveelheid kennis zorgt er zeker voor dat er verrassende redeneringen worden gedaan.

Dit is niet alleen ontzettend plezierig, ze leren ook al op hun eigen niveau juist redeneren, hun gedachten onder woorden brengen en sociaal-communicatief vaardig te zijn. Ze leren al op een creatieve wijze te denken en verbanden te leggen.

De baas zijn en de baas spelen
Vandaag was het Sam, die op een mooie manier liet zien waar het jonge kind nog toe in staat is. We dachten met elkaar na over ‘de baas zijn’. Over het verschil tussen de baas zijn en de baas spelen (twee verschillende begrippen, twee verschillende betekenissen) en over waar de koning nu eigenlijk de baas over is.

Het verhaal dat ik voor had gelezen ging namelijk over een koning die in het zwembad niet de baas was (hij mocht geen bommetje doen van de badmeester), die in het verkeer niet de baas was (hij mocht niet te snel rijden van de agent) en die thuis niet de baas was (hij mocht niet eens met zijn handen eten want er was een andere keizer op bezoek). Maar hij was toch de koning? Hij was de baas!

Wie is de baas?
Nadat we over het verhaal hadden nagedacht breidde ik de vragen uit. Waar was de juf de baas? Over wie? En waar de brandweerman? En was de brandweerman meer de baas dan de juf?

Alle kinderen kregen nu in tweetallen (gelamineerde) plaatjes van bepaalde beroepen. Deze mochten ze op een lijn leggen van helemaal niet de baas naar heel erg de baas. Terwijl de meeste kinderen de agent op de eerste plek hadden liggen, lag die bij Sam en Iris op plek 2. Zij hadden namelijk de schoonmaker op plek 1. En nu moet je, voordat je verder leest, eens nadenken waarom de schoonmaker van alle andere beroepen, het meest de baas is. Probeer het maar.

De redenering van Sam en Iris (groep 3):
Sam: ‘Een schoonmaker is van al deze mensen de meeste tijd alleen. Want een schoonmaker werkt vaak ’s avonds of heel vroeg. Je bent het meest de baas als je alleen bent omdat je dan dingen op je eigen manier kan doen. Je kunt dansen met de bezem en je kunt het beste de baas zijn over jezelf. Want als je alleen bent kun je het meest de baas zijn over jezelf.’

Het gaat er niet om dat dit een waterdichte redenering is, dat ie volledig correct is of dat er niet ontzettend veel aannames inzitten waaraan getwijfeld kan worden. Jonge kinderen zijn dan ook geen filosofen, zoals ik al eerder zei, maar we kunnen ze wel leren denken. Sam laat hier op een hele mooie manier zien waarom een schoonmaker voor hem het meest de baas is.

Net als dat we rekenen en taal moeten leren, word je ook niet automatisch geboren met goede denkvaardigheden. Je wordt geboren met een bepaald vermogen tot of een bepaalde capaciteit om het te leren. Leren denken dus. Groep 3/4 is in ieder geval al erg goed op weg!


Omring je in 2022 slechts nog met positieve mensen

‘Omring je in 2022 slechts nog met positieve mensen’

Deze zin kwam in mijn timeline op Facebook binnen en zoals je dat soms hebt bij braken, bereikte ik net te laat de wc om ‘m uit te kotsen en door te trekken.

Het hoopje misselijkmakende positiviteit quotes lag daar vlak naast de pot een beetje ellendig te wezen. ‘HA! Weten jullie ook eens hoe dat voelt,’ riep ik met de vieze nasmaak nog in mijn mond.

Verschillende brillen, verschillende mensen
Je slechts omringen met positieve mensen zou onder het mom van waar je mee omgaat word je mee besmet, goed zijn voor je eigen geluk. Leuk voor dat geluk. Maar wie is er dan voor hen die wel een beetje positiviteit in het leven kunnen gebruiken omdat zij in de loop van het leven hun gekleurde bril zijn kwijtgeraakt? Of voor die mensen die zijn geboren met donkere glazen?

Als we ons allemaal maar willen omringen met bepaalde positieve mensen en positieve vibes, wie is er dan voor mij als het niet zo goed met me gaat? Bij wie kan ik terecht als ik door lange periodes van somberheid moet? Als leven pijn doet?

Want dat er in het leven dingen gebeuren die pijn doen, is net zo zeker als dat we liefde en andere mensen nodig hebben om die pijn te verlichten.

2022
Ik wens iedereen een fijn en mooi 2022 waarin er minder positiviteit quotes en nep wijsheden op je timeline mogen verschijnen.

En natuurlijk een jaar waarin je beseft dat je niet moet wachten op een goede dag, maar dat je die zelf moet maken! Jup, al onderweg naar de wc!

Net aan gered dus smile op mijn gezicht want een dag niet gelachen is een dag niet ge… Bleehhh


Geen talent: 'Het is maar een hobby Bo, gewoon een hobby'

Van jongs af aan worden we gestimuleerd dat te doen waar we goed in zijn. Maar het is niet voor niets dat mijn generatie (millennials) en de generatie na mij (generatie Z) minder hobby’s heeft dan ooit eerder is vernomen.

Oké, misschien heeft dat iets te maken met het digitale tijdperk, maar onze kijk op het kapitalisme heeft hier, naast ons nutsdenken, zeker ook een bijdrage in.

Money, money, money
Als je iets leuk vindt en je bent er vaak mee bezig, dan moet je er eigenlijk gelijk je werk van maken. Van alle kanten wordt dit ook benoemd: ‘Misschien kun je het verkopen, jezelf in laten huren, je eigen bedrijfje hierin beginnen?’

Ik hoor dan vaak: ‘Als je van je hobby je werk maakt, dan hoef je nooit meer te werken’. (Dit is een afgeleide van Confucius die zei: ‘Als je een baan vindt die bij je past, dan hoef je nooit meer te werken’.) Maar als je van je hobby je werk maakt, dan vervang je dus het woord hobby voor het woord werk. De conclusie dat je nooit meer hoeft te werken klopt dan niet. Je moet nog steeds werken, je hebt alleen geen hobby meer.

Goed, goed, taalgeneuzel ook. Wat ik alleen maar wil zeggen is dat hobby’s schaarser lijken te worden en de drang ergens goed in te zijn (en er dus uiteindelijk geld mee te verdienen) groot is.

Amuzikaal en toch een instrument willen spelen
Ik weet niks van toonladders en toonsoorten. Ik weet nog net het verschil tussen een akkoord en een noot, maar vraag me niks over die akkoorden zelf. Mijn ukeleleleraar en ik lijken een andere taal te spreken:
‘Nee Bo, dit is een vierkwartsmaat dus dan kan die strum natuurlijk niet.’ Weet ik veel.
Of: ‘Oh, dat akkoord klinkt niet zo lekker. Wacht, we pakken even een andere,’ tokkelt op z’n ukelele, kijkt bedenkelijk en zegt: ‘Ohja, we kunnen de F#m wel invoegen. Dat klinkt beter’.

En ik? Ik hoor amper verschil, neem het voor lief, glimlach en speel voortaan het akkoord F#m (wel met het vertrouwen alsof ikzelf op dit ingenieuze idee ben gekomen).

Theoretische kennis
Er gaat een theorie achter schuil waar je u tegen wil zeggen, al weiger ik ook mijn ukelele met die beleefdheid te behandelen. Ze is meer mijn maatje dan mijn buurvrouw op leeftijd. Meer een verlengstuk van mijn arm dan een voorwerp waar je liever niet aankomt (zoals mijn bloeiende cactus in haar prachtige roze pot met sterretjes.)

En toch, ondanks de onwetendheid, het talentloze, mijn amuzikale gepingel, geniet ik van ons samenspel. De lieve klanken die ze fluistert terwijl mijn vingers langs haar snaren glijden. De focus als een moeilijk akkoord zich moet gaan vastzetten in mijn hand, mijn lichaam als het ware moet binnendringen en door middel van herhaling zich omzet in een handeling waar mijn denken niet meer bij kan.

Negeer het maar
Iedere keer negeer ik dan het stemmetje in mijn hoofd. Het stemmetje dat mij vertelt hoe ik hier een slaatje uit kan slaan. Dat ik harder en meer moet oefenen. Wat het voor nut heeft als ik de theorie niet eerst ga leren en beheersen. Waarom ik mezelf niet 3 maanden opsluit om echt een goede ukelelespeler te worden. Wat ik kan doen om deze hobby toch te gebruiken voor iets nuttigs. De beginselen aan andere te leren misschien?

Het negeren gaat steeds beter. Het is een hobby Bo. Het is gewoon een hobby. Een hobby waar je geen talent voor hebt, maar waar je wel heel veel plezier uithaalt. En dat is oké. Wat is jouw hobby?


Minimalisme ammehoela

Twee weken geleden zijn we verhuisd. Onze oude huurwoning ging met €450,- per maand(!) omhoog. (Ja inderdaad, om je schoen bij op te eten als je überhaupt nog geld over hebt om nieuwe schoenen te kopen.)

Een nieuwe trend
Verhuizen zet je altijd aan het denken over de hoeveelheid spullen die een mens nodig heeft of belangrijk acht.

Jaren geleden verdiepte ik mij in ‘minimalistisch leven’, een hype die uitgaat van het ‘less is more’ principe: alleen datgene bewaren wat belangrijk voor je is en dat verwijderen wat je daar niet bij helpt. Een mooi principe leek me.

Ontspullen was voor mij een manier om meer overzicht te creëren in mijn hoofd. Maar zoals met alles het gevaar is, zag ik het bij sommige minimalisten doorslaan. Van de behoefte aan rust en meer ruimte, schoot de voortdurende drang te ontspullen door naar een obsessie met minder, met leegte, met weggooien.

Het kan ook te gek

Ik sprak met een man van middelbare leeftijd. Zo eentje die na goed geld te hebben verdiend en zijn longen naar de kanker toe te hebben gerookt, zijn leven ineens 180 graden veranderde. Bezig zijn met de gezondheid verving zijn rookverslaving en daar kwam natuurlijk na fysieke inspanning ook de mentale bij. Het hoofd moest opgeruimd. En dus het huis ook.

De man had al zijn oude (liefdes)brieven, dierbare foto’s en belangrijke kaarten van vrienden weggegooid met het idee dat de taak van die brief, kaart of foto was volbracht. Ik kon mijn schoen er wel bij opeten zo verbaasd was ik (maar ja, geen geld voor een nieuw paar eh, vanwege onze huur nu. Die is namelijk ook niet laag ofzo 😉 ).

Doorgeslagen idioten
Want waarom zou je een mooie foto of lief geschreven kaart met emotionele waarde weggooien? De man redeneerde als volgt: Degene die het geschreven heeft, weet het inmiddels toch niet meer. Het ‘ding’ heeft zijn taak toen volbracht, het moment is voorbij.

Het stuitte me tegen de borst. En niet zo’n beetje ook. De herinnering, het pijnlijk falende geheugen van ons als mens, het verlangen en de fantasie waren delen in mij die niet wilde afsterven voor ‘het hier en nu’. Rot op met je hier en nu. Ik wil soms kunnen vliegen naar een wereld die niet bestaat, naar een verleden die niet heeft bestaan en naar een toekomst die nooit komen gaat. Laat mij maar dromen.

Laat mij maar verzamelen
Ook al ben ik een voorstander van ontspullen en een opgeruimd hoofd,
daarboven staan altijd nog de ideeën, de creativiteit, de dromen en de verhalen.
Laat maar op mij neerdalen.
Laat mij maar verdwalen.
In de herinneringen die wij door middel van kaarten, foto’s en brieven bij elkaar naar boven halen.
Aangezien we uiteindelijk zonder te kiezen,
het leven,
naar behoren geleefd of niet,
toch zullen verliezen.

PS. De bijzondere schelp op de foto, gevonden in Nieuw-Zeeland, ligt nog steeds in mijn badkamerkastje niks te doen. Nou en. Hij vindt het heel fijn in ons kikkerlandje en ik vind het gevoel wat ik krijg als ik ‘m daar, helemaal geel en met zijn gekke vorm, zie liggen ook heel erg fijn.

Sorry lieve vrienden en familie die ons hebben geholpen met verhuizen. Al onze boeken, kaarten, brieven, foto’s, hobby-spullen en onnodige schelpen hebben jullie omhoog getild. Mega bedankt, want doorgeslagen minimalisme, ammehoela.


Voor het eerst aan de wodka

Sommige mensen zijn in alles ietsje later. Later met lopen, later met praten, later met leren, verlaat in de puberteit of later seksueel actief. Bij mij komt daar nog later of eigenlijk ietwat trager in begrip bij kijken (niet per se handig bij goede grappen).

Nuchter of dronken
Ik ben vaak een laatbloeier genoemd. Gek genoeg vond ik dat altijd een beetje apart, aangezien ik tegelijkertijd te horen kreeg dat ik mijn leeftijdsgenootjes qua interesses en denken ‘vooruit was’. Dat botste. Wie was ik nou? Kon het niet wat duidelijker?

Leven wilde maar geen helderheid verschaffen, eenduidigheid bleek niet te bestaan. En dus snapte ik niks van mensen die maar wat graag die roes van onduidelijkheid opzochten en de volgende dag met een smile van oor tot oor verkondigden dat ze zich niks meer konden herinneren van de vorige avond. Tot zover je ‘leuke’ avond, dacht ik dan.

Het Utrechtse nachtleven
Gisteren zat ik in de kroeg met een vriend van de studie. In de knappe stad Utrecht. De sfeervolle kroegen vol met studenten ademden de zweterige geur van nostalgie. Ik genoot voor 7. Want 7 jaren lang had ik alcohol als een vijand beschouwd. Als opium; een bedwelmend genotsmiddel.

Ik vergeleek de giftige stof altijd met een oude, eenzame man die langzaamaan de bomen kapt in zijn tuin en de bossen daaromheen.

Alcohol doodt meer dan je lief is
Iedere slok waarmee mijn hersencellen werden gedood, voelde voor mij als het omhakken van een boom, terwijl ik alle bomen nodig had om de wereld mee te kunnen zien. Om in de bomen te kunnen klimmen en vanuit nieuwe perspectieven de wereld te kunnen aanschouwen. Daarnaast gaven die bomen mij zuurstof en een vorm van helderheid, terwijl (de angst voor) alcohol mij vaker de adem en het zicht benam.

Sorry mam
Gisteren is die oude houthakker in mij overleden. En met hem de angst voor verdovende, verslavingsgevoelige middelen. Misschien verontrustend voor mijn moeder, maar voor de rest best een mooie ervaring voor een laatbloeier. Als laatbloeier sla je namelijk niet bepaalde fases of ervaringen over, je beleeft ze alleen nadat de meeste andere mensen het (voor het eerst) ervaarden.

Conclusie:
Wijn is niet mijn ding (geen rood of wit, zoet of droog, fruitig of chocolade-achtig). Whisky doet pijn aan mijn lippen, tong en keel en een shotje wodka ga ik bijna van over mijn nek. Een fruitbiertje is helemaal prima en dansen in de regen om 1 uur ’s nachts ook.

Want voor even maak ik mij, terwijl het giet van de regen, niet druk om de grote druppels die mijn zicht via mijn bril belemmert en heeft die afgenomen helderheid gezorgd voor een nieuwe kijk op vriendschap.

PS. 
Voor mijn grootste fan: Neem de blog met een korreltje zout mama (en een lekkere tequila met wat citroen) en bedenk je dan dat het jouw moeder was die mij leerde te proosten op het leven. Dat heb ik vannacht gedaan. Ik heb geproost op het leven. Amen.


Kun je vrienden worden met een robot?

Kun je vrienden worden met een robot?

Deze week filosofeerden we over vriendschap. Aan het begin van de les liet ik een filmpje zien over verschillende katten die reageren op een robotkat. Er werd met elkaar nagedacht of katten vrienden kunnen worden met een robotkat.

Vervolgens introduceerde ik nogmaals het woord gedachte-experiment. Mijn eerste les had in het teken gestaan van het gedachte-experiment en ik wilde dit nogmaals uitleggen en herhalen. Ik liep de klas uit en sloop daarna geheimzinnig de klas in.

Aan mijn hand had ik namelijk een mensenrobot meegenomen. Ik zette hem op tafel neer, vroeg de kinderen of ze hem allemaal voor zich konden zien en of ze met deze robot bevriend zouden kunnen worden. Stel je eens voor dat deze robot kon praten, kon bewegen en even groot zou zijn als jullie.

Zou je dan vrienden kunnen worden met mijn robot?

Een stukje uit het gesprek met groep 7/8
Jongen uit 7/8: ‘Nee, want een robot gedraagt zich niet als een mens.’
Ik: ‘Wat doet of heeft een robot dan niet, wat een mens wel doet of heeft?’
Hij: ‘Een robot heeft geen mening. En ik zou geen vrienden kunnen zijn met iets dat geen mening heeft.’
Ik: ‘Stel je nu eens voor dat ik mijn mening programmeer in de robot. Zou je dan wel vrienden kunnen worden met de robot?’
Hij: ‘Nee, want het is niet zijn eigen mening.’
Ik: ‘Ahaa, dus jij kan vrienden worden met iets als het een eigen mening heeft. Niet zomaar een mening, maar een eigen mening.’
Hij: ‘Ja. En hij mag het niet altijd met mij eens zijn. Dat zou ik niet leuk vinden.’

Meisje dat hierop reageert: ‘Ik ben het daar niet mee eens want het is toch juist leuk als de robot doet wat jij wil.’
Ik: ‘Geldt dat ook als de robot altijd doet wat jij wil?’
Zij: ‘Nee, niet altijd. Maar vaak wel.’
Ik: ‘Wanneer niet dan?’
Zij: ‘Het kan saai worden als de robot altijd maar doet wat ik wil. Maar het grootste gedeelte van de tijd zou het wel leuk zijn.’
Ik: ‘Kun je een voorbeeld geven van een situatie waarbij je zou willen dat hij op dat moment iets anders doet dan dat je op het moment zelf zou willen?’
Zij: ‘Dat weet ik niet echt.’
Ik: ‘Kan iemand anders haar helpen? Is er een voorbeeld te bedenken waarbij we zouden willen dat de robot iets anders doet dan dat we in eerste instantie zouden willen en dit toch best fijn of belangrijk is?’

Een stukje uit het gesprek met groep 5
Meisje uit groep 5: ‘Ik zou wel vrienden met de robot kunnen zijn als hij met mij speelt.’
Ik: ‘Het is voor jou dus belangrijk dat iemand samen wil spelen, want dan kun je vrienden met diegene worden.’
Zij: ‘Ja. En hij moet ook aardig zijn.’
Ik: ‘Dus hij moet én met je spelen én aardig zijn.’
Zij: ‘Ja. En hij moet mijn geheimen niet doorvertellen, want dan ben je mijn vriend niet meer.’

Jongen die hierop reageert: ‘Maar dan mag jij ook zijn geheimen niet doorvertellen. Want je moet wel allebei dan goed geheimen kunnen bewaren. Het is niet zo dat de robot jou niet mag schoppen en jij dan wel de robot mag schoppen. Dan zou de robot geen vriend meer met jou willen zijn.’
Ik: ‘Dus eigenlijk moet vriendschap met een robot van twee kanten komen. Zowel de robot als jij moeten beiden vrienden met elkaar willen zijn.’
Hij: ‘Ja.’
Ik: Geldt dit ook voor een mensenvriend?
Zij: ‘Ja, bij een mensenvriend wel. Maar een robot leeft niet. Ik bepaal zelf of hij mijn vriend is dus de robot hoeft mij niet te zien als vriend.’

Vriendschap
Zonder dat de kinderen het bewust doorhadden, zijn we deze week bezig geweest met het concept vriendschap. Wanneer noem je iemand een vriend? Waarom zou je wel of geen vrienden kunnen zijn met een robot? Waar moet een robot aan voldoen om jouw vriend te kunnen zijn? Geldt dat ook voor je vriendjes in de klas? Wat zijn voor jou belangrijke voorwaarden van vriendschap?

Filosoferen op school met juf Bo 
Het uitdiepen van concepten stimuleert niet alleen de taalontwikkeling maar laat kinderen ook nadenken over hun eigen voorkeuren. Wat vind ik belangrijk? Het kunnen formuleren van je eigen gedachten en deze aanscherpen gebeurde mooi bij de jongen in groep 7/8 die een eigen mening belangrijk vond en niet zomaar een mening.

We zijn nu eenmaal mensen die alles wat we horen en zien moeten interpreteren. Bij dit interpretatieproces ontstaan regelmatig misverstanden. Het is mijn drive en mijn wil om kinderen te leren hun eigen gedachten beter onder woorden te brengen. Om daarmee te oefenen. Om vervolgens beter begrepen te worden en daarmee het zelfvertrouwen, een positief groepsgevoel en het taalvermogen van leerlingen een enorme boost te geven.


Ongemak dient de mens

Het benauwt me als ik bij een vriendin binnenkom en ik na een tijdje merk dat ze alles in huis heeft wat haar hartje begeert. Wanhopig zoeken mijn ogen naar enig vorm van onbehagen. Een scheef kastje, een kras op de muur, een lekkend raam of een schilderij dat niet waterpas hangt.

Wat doet een huis, waarin alles zo perfect is ingericht en er van ongemak bijna geen sprake kan zijn, met mij? Waar komt de paniek die ik op zo’n moment kan voelen vandaan?

Mijn huis als grotere ik
Misschien is een huis voor mij een weerspiegeling van het mens zijn. Ik voel me niet op mijn gemak in huizen waarin het lijkt of ik een tijdschrift in ben gestapt. Waarbij ik bang ben te morsen op de bank of ieder krasje op de tafel te zien is.

Misschien wil ik op de plek waar ik woon, het onbehagen proeven dat ik als mens ook ervaar. In een onvolmaakt huis wonen, omdat ik zelf zo onvolmaakt ben als maar kan.

Verlangen als doel en niet als middel
Daarnaast wil ik kunnen blijven verlangen. Verlangen naar een plek waar ik niet aanhoudend koude voeten heb zonder sloffen. Waar niet de sigarettenlucht van de buren door de afzuigkap mijn woonkamer in drijft. Of de eeuwig langsrazende toeterende auto’s mij niet meer afleiden.

Ironisch genoeg ben ik juist bang voor zo’n plek waar niks meer te verlangen valt. Want wat dan? Dan is het verlangen vervuld en what’s next? Nog groter? Nog meer geld? Nog meer vakantie? Nog meer angst om te verliezen wat je hebt?

Found it!
Aaaah, daar heb je het! Finally! De onderliggende gedachte. De kern van het probleem. Als mensen veel waardevolle bezittingen hebben, dan zijn ze banger om al die zaken te verliezen. En dat is best logisch. Als je niks hebt, kun je ook niet zoveel verliezen. Als je veel geld hebt, kun je ook veel geld verliezen.

Het is een van dé redenen die verklaart waarom mensen in rijke landen angstiger zijn. Waarom mensen die eigenlijk niks te klagen hebben, toch op een partij als de PVV stemmen. Omdat ze bang zijn dat te verliezen wat ze hebben verworven. Omdat vluchtelingen anders hun banen en huizen inpikken.

Bang voor het bang zijn
In plaats van bang te zijn dat te verliezen wat ik heb, ben ik grappig genoeg bang voor de angst die komt kijken bij het leven in luxe en comfort.

Bang voor de angst om niet meer zonder datgene te kunnen waar je je zo aan hebt gehecht en waar je eerst ook prima zonder kon (een nog duurdere auto, een robotstofzuiger, een elektrische fiets, drie dezelfde (dure) jurken in een andere kleur, een föhn van Dyson, dat ene gouden horloge, een zeer prijzig koksmes, een caravan-mover, de nieuwste Iphone, een grote tuin, etc.).

Een vlekje op de muur
En ja, misschien is bang zijn een groot woord. Ik wist alleen dat er iets uit mij moest, toen ik met mijn hand langs de door lekkage bruin geworden vlek streek op de muur. We moeten namelijk deze woning uit.

Mijn ogen vallen liefkozend op het scheve kastje en de gebroken tegels in mijn keuken, op de toiletrolhouder die continu van de muur afvalt en de wc-rol die, als gevolg daarvan, nu al een tijdje op het prullenbakje staat.

Ik ril en kijk op de thermometer. 18,5 graden. Ik doe mijn dikke trui aan en haal mijn schouders op. Prima temperatuur.